Aannemingsovereenkomst en meerwerk

Datum 28-06-2017
Bericht geschreven door: mr. M. (Marcel) Zuidema
Aannemingsovereenkomst en meerwerk
 
In de bouw ontstaat vaak discussie over meerwerk. Meerwerk is extra werk dat de aannemer verricht bovenop de overeengekomen werkzaamheden. Discussiepunten zijn: is er wel opdracht gegeven? En zo ja, welke prijs moet daarvoor worden betaald?
 
In het burgerlijk wetboek (Artikel 7:755 BW) staat dat de aannemer recht heeft op verhoging van de overeengekomen prijs als dit het gevolg is van door de opdrachtnemer gewenste veranderingen of toevoegingen in het overeengekomen werk. Dit betekent echter niet dat meerwerk zondermeer betaald moet worden. De aannemer kan slechts verhoging van de prijs vorderen indien de aannemer de opdrachtgever heeft gewezen op de noodzaak van en de daaruit voorvloeiende prijsverhoging. Indien de aannemer dit niet heeft gedaan, dan heeft hij alleen recht op de prijsverhoging als de opdrachtgever die noodzaak zelf had moeten begrijpen. Het verdient dan ook de voorkeur om meerwerkopdrachten altijd schriftelijk te bevestigen en daarbij de prijsconsequentie aan te geven.
 
In contractuele voorwaarden wordt daarom vaak een extra barrière opgeworpen, namelijk dat meerwerk schriftelijk overeengekomen moet worden. In beginsel hebben partijen de vrijheid om een dergelijk clausule op te nemen.  Bij de raad van Arbitrage van de Bouw zijn veel geschillen op dit punt beslecht. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad van Arbitrage kan de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen dat er recht op vergoeding van meerwerk bestaat, ook al is er geen schriftelijke opdracht gegeven, indien er sprake is van noodzakelijk meerwerk waarvan de opdrachtgever heeft moeten begrijpen dat dat voor haar rekening komt. De Raad van Arbitrage heeft dit nogmaals bevestigd in een uitspraak van 26 juli 2010, zaaknummer 29.884. Wanneer er sprake is van noodzakelijk meerwerk hangt af van de omstandigheden van het geval.
 
Voor meerwerk kan ook mondeling opdracht gegeven worden, doch als dit later wordt betwist moet de aannemer bewijzen dat opdracht is gegeven. Tevens dient de aannemer te bewijzen voor welk bedrag opdracht is gegeven. Slaagt de aannemer niet in dit laatste bewijs, dan moet op grond van artikel 7:405 lid 2 BW een gebruikelijk of redelijk loon worden vastgesteld.
 
Bij de burgerlijke rechter wordt inmiddels ook minder zwaar getild aan het schriftelijkheidsvereiste. Jaren geleden werd een dergelijke schriftelijkheidseis stringent uitgelegd, doch de wet vereist geen schriftelijke opdracht (meer) voor meerwerk, zie daarvoor o.a. een uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 8 september 2010, ECLI:NL:RBUTR:BN:6259.
 
Zoals uit het vorenstaande blijkt is er veel discussie wanneer meerwerk wel of niet betaald moet worden. Het antwoord is niet altijd eenduidig te geven. Laat u daarom goed adviseren. Wilt u meer weten neem dan contact op met mr. Marcel Zuidema, tel 088-1770111.