Aanpak van faillissementsfraude versterkt?

Datum 28-01-2014
Bericht geschreven door:
De uitspraak van een faillissement van een natuurlijk- of rechtspersoon betekent vaak tevens een persoonlijk drama. Een faillissement raakt daarnaast eventuele werknemers, schuldeisers, consumenten en kredietverstrekkers. Het is dan ook bijzonder kwalijk als een faillissement gepaard gaat met frauduleus handelen. Dit zal ertoe leiden dat consumenten vertrouwen verliezen en kan daarom ontwrichtend op de economie doorwerken en leiden tot aanzienlijke schade. In 2010 bijvoorbeeld zou er volgens het Centraal Bureau voor Statistiek maar liefst een kwart van de € 4 miljard schuld die bij faillissementen onbetaald bleef, toegeschreven moeten worden aan zaken waarbij de schuldeisers strafbaar zijn benadeeld. Een effectieve bestrijding van faillissementsfraude is daarom van groot belang. In de praktijk wordt de opsporing van fraude regelmatig bemoeilijkt door een gebrek aan aanknopingspunten, waardoor de verhaalsmogelijkheden uitblijven. Zo wordt bijvoorbeeld activa uit de onderneming onttrokken al ruim voor de datum dat het faillissement wordt uitgesproken. Ook komt het voor dat ernstig wanbeheer de oorzaak is van de ondergang van een onderneming.
 
Om te voorkomen dat bij het intreden van een faillissement het kwaad al is geschied en er geen geld meer is voor de schuldeisers, wil het kabinet de aanpak van faillissementsfraude versterken. In dat kader heeft Minister Opstelten het wetgevingsprogramma 'Herijking Faillissementsrecht' aangekondigd (in een vorige nieuwsbrief kwam al een ander onderdeel van voormeld programma aan bod, zijnde de vereenvoudiging van reorganisatie van bedrijven, met name het doorstarten van ondernemingen).
 
Eind 2013 is een wetsvoorstel over de introductie van een civielrechtelijk bestuursverbod aangeboden aan de Afdeling advisering van de Raad van State, waarmee de sanctiemogelijkheden tegen frauderende bestuurders aangevuld en aangescherpt worden. Hiermee wordt het strafrechtelijk faillissementsrecht uitgebreid en gemoderniseerd. Het wordt hierdoor mogelijk om op vordering van de curator of op verzoek van het openbaar ministerie, bestuurders van rechtspersonen, die hun taak in de drie jaren voorafgaand aan het faillissement kennelijk onbehoorlijk (wanbestuur) hebben vervuld, voor maximaal vijf jaar een bestuursverbod op te leggen. Faillissementsfraude kan hierdoor effectiever worden bestreden en zo kan voorkomen worden dat frauduleuze bestuurders hun activiteiten met nieuwe rechtspersonen ongehinderd voort kunnen zetten. In Duitsland, België en Engeland is reeds een dergelijke vorm van een civielrechtelijk bestuursverbod van kracht.  

In het wetsvoorstel komt verbetering in de strafbaarstelling van overtreding van de administratie-, bewaar- en afgifteplicht aan bod, alsmede vereenvoudiging van de inlichtingenplicht, modernisering van bepalingen betreffende bankbreuk en de uitbreiding van de strafbaarstelling van laakbaar handelen, in combinatie met een verhoogde strafmaximum van vier jaar gevangenisstraf of een geldboete van de vijfde categorie. Het wetsvoorstel voorziet hiermee in een algemeen geldende strafrechtelijke bescherming tegen het niet voeren van een adequate administratie door rechtspersonen en ondernemingen.
 
Als u vragen heeft over bovengenoemd wetsvoorstel, de aanpak van faillissementsfraude of anderszins dan kunt u contact opnemen met één van onze medewerkers van de sectie insolventie.