Aanvraag eigen faillissement en doorstart: misbruik van faillissementsrecht?

Datum 13-05-2015
Bericht geschreven door:
De rechtbank Den Haag heeft in de uitspraak van 15 oktober 2014[1] een zaak behandeld waarbij op eigen aangifte het faillissement is uitgesproken van een timmerfabriek. De werknemers van de failliete onderneming zijn enkele dagen na het faillissement ontslagen door de curator. De werknemers hebben zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de bestuurder van de failliete onderneming onrechtmatig heeft gehandeld om het eigen faillissement aan te vragen met het vooropgezette doel om de werknemers zonder arbeidsrechtelijke bescherming te ontslaan en de activiteiten voort te zetten.
 
De werknemers stellen onder meer dat;
  • het faillissement is uitgesproken kort nadat het UWV de ontslagaanvragen heeft afgewezen;
  • in de periode kort voor het faillissement is aangegeven dat zij sowieso zouden moeten vertrekken;
  • in de weken voorafgaand aan de faillissementsaanvraag de onderneming betalingen heeft verricht aan een aantal crediteuren zoals onder andere toeleveranciers die van belang waren voor de na het faillissement door de bestuurder overgenomen orders. 
De stelling van de werknemers is in een tussenvonnis op voorhand bewezen geacht, en de enig aandeelhouder en bestuurder is in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren.
 
De rechtbank heeft vastgesteld dat de bestuurder ten tijde van de aanvraag van het eigen faillissement van plan was om de activiteiten van de failliete onderneming gedeeltelijk voort te zetten. De rechtbank overweegt dat “een doorstart, ook als deze van tevoren is voorbereid, betekent niet zonder meer dat oneigenlijk – en tegenover de door de curator ontslagen werknemers onrechtmatig – gebruik wordt gemaakt van het aanvragen van het eigen faillissement.” Verder overweegt de rechtbank dat een doorstart, of deze nu “voorgekookt” is of niet, ook in het belang van de onderneming en de (resterende) werknemers kan zijn omdat de werkzaamheden door kunnen gaan. “Dit betekent dat oneigenlijk of onrechtmatig aanvragen van het eigen faillissement in de regel niet aan de orde zijn als de financiële toestand van de onderneming zodanig is dat zij verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen of daar naar verwachting binnenkort in zal verkeren, ongeacht of de bedrijfsactiviteiten wel of niet worden voortgezet in een andere onderneming.” Dat kan anders zijn als sprake is van geregisseerde betalingsonmacht door de bestuurder/aandeelhouder om daarmee na het faillissement en de overname van het actief kan profiteren van de verminderde arbeidsrechtelijke bescherming voor de werknemers.
 
De rechtbank heeft geoordeeld dat in dit geval de bestuurder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een reële faillissementssituatie en dat de onderneming al geruime tijd technisch failliet was. De onderneming draaide al sinds 2009 met verlies, en de bestuurder heeft dit aangetoond met cijfers.
 
Ten aanzien van de selectieve betalingen overweegt de rechtbank dat “dit benadelingshandelingen zijn die – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet zonder meer kan leiden tot de conclusie dat geen sprake was van een reële faillissementssituatie ten tijde van het aanvragen van het eigen faillissement.” Dat geldt in het bijzonder voor de selectieve betalingen, die hebben geleid tot benadeling van schuldeisers, maar niet afdoen aan de faillissementssituatie waarin de onderneming verkeerde.
 
Heeft u zelf een bedrijf in zwaar weer of doet u zaken met een bedrijf waarvan u denkt dat er betalingsproblemen (kunnen) ontstaan en u heeft advies nodig: neem dan contact op met mr. P. van Rossum.
 
Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.

Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.
 

[1] Rechtbank Den Haag, 15-10-2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:14948