Bestuurdersaansprakelijkheid aannemelijk bij te late deponering jaarrekening?

Datum 20-06-2016
Bericht geschreven door: mr. P. (Peter) van Rossum, advocaat

In deze nieuwsbrief bespreekt mr. Peter van Rossum een belangrijke uitspraak van de Hoge Raad voor wat betreft de oorzaken van een faillissement en de bestuurdersaansprakelijkheid die daaruit kan volgen. 



Een bestuurder van een rechtspersoon is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Daarnaast draagt een bestuurder verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken binnen zijn bedrijf. Hij is voor het geheel aansprakelijk ter zake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem -kort gezegd- geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij daartegen behoorlijke maatregelen heeft getroffen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.[1] Bij een faillissement is het de taak van een curator om de administratie te bestuderen maar ook om een onderzoek uit te voeren naar de oorzaak van het faillissement.
 
De bewijspositie van een curator is door de wetgever aanzienlijk versterkt. Als een bestuurder niet heeft voldaan aan de boekhoudplicht of de jaarrekening niet of te laat is gedeponeerd, dan staat het onbehoorlijk bestuur vast en wordt vermoed dat dit kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Door een recente uitspraak van de Hoge Raad is hierin meer duidelijkheid gekomen.
 
 
Jurisprudentie
 
Levert het te laat deponeren van een jaarrekening zonder meer aansprakelijkheid van de bestuurder op? Deze vraag werd aan de Hoge Raad[2] voorgelegd. In deze procedure stelde de curator dat de bestuurder aansprakelijk was voor het boedeltekort op grond van art. 2:248 BW omdat hij zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is.
 
De Hoge Raad heeft in deze uitspraak een heldere uitleg gegeven over de term ‘onbehoorlijk bestuur’. Om het causaal verband tussen het onbehoorlijk bestuur en het faillissement te ontzenuwen, is niet vereist dat de betreffende bestuurder een niet aan hem toerekende oorzaak van het faillissement aannemelijk maakt. Volgens de Hoge Raad is het voldoende dat die bestuurder door het aanvoeren van bepaalde feiten en omstandigheden aantoont dat een andere belangrijke oorzaak het faillissement tot gevolg heeft gehad dan kennelijk onbehoorlijk bestuur. Bij een andere belangrijke oorzaak kunt u denken aan bestuursdaden waar wel iets op aan te merken valt, zoals het onjuist schatten van risico’s en misrekeningen, maar die op zich geen onbehoorlijk bestuur opleveren.
 
Van kennelijk onbehoorlijk bestuur is pas sprake indien geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld. Wilt u meer informatie over dit onderwerp, dan kunt u contact opnemen met mr. P. van Rossum.
 
 
Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.
 

[1] Art. 2:9 BW
[2] ECLI:NL:HR:2016:233