Bodemvoorrecht fiscus op showroommodellen in faillissement?

Datum 11-12-2013
Bericht geschreven door:
Zijn showroommodellen aan te merken als bodemzaken of als handelswaar?
 
Het bodemrecht is een groot voorrecht van de fiscus binnen een faillissement om belastingschulden betaald te krijgen. Artikel 21 Invorderingswet 1990 (Iw 1990) bepaald namelijk dat de belastingdienst een voorrecht heeft op goederen van de belastingschuldige. Wanneer een faillissement wordt uitgesproken kan de fiscus automatisch het bodemvoorrecht inroepen, apart (bodem)beslag is niet meer nodig. Concluderend is een bodemvoorrecht een superpreferentie van de fiscus op bodemzaken. Uit artikel 21 lid 2 Iw 1990 volgt zelfs dat het bodemvoorrecht (voor bepaalde belastingen) vóór het (stil) pandrecht -als dit recht tevens op de betreffende bodemzaken rust- gaat.
 
Van belang is daarom te onderscheiden wat een bodemzaak en geen bodemzaak is. Over deze vraag wordt – met name in faillissementen- veel getwist. De problematiek die in faillissementen kan optreden is dat een zekerheidsrecht, zoals een pandrecht, het af moeten leggen tegen het bodemvoorrecht van de fiscus. De vaststelling of een goed een bodemzaak betreft is dus niet geheel onbelangrijk.

Een bodemzaak is in letterlijke zin een zaak die zich op de bodem van de belastingschuldige bevindt, deze zaak moet dienen tot stoffering van het bedrijf. Kortheidshalve komt het erop neer dat de zinsnede ‘zaken die dienen tot stoffering’ ruim uitgelegd wordt. Bijna alle inventaris valt aan te merken als een bodemzaak, waarbij men ook kan denken aan machines en heftrucs. Een vuistregel is dan ook dat alle inventaris bodemzaken zijn, met uitzondering van voorraden.

Over de vraag of showroommodellen in bedrijven als bodemzaken of als voorraden te kwalificeren zijn bestond tot voor kort discussie. In 2009 werd deze vraag neergelegd bij de rechter. Een tweetal bedrijven die slaapkamermeubilair verkocht werd in 2006 failliet verklaard en voor de vereffening van de boedel werd dan ook een curator aangesteld. De bedrijven hadden een groot aantal showroommodellen in hun bedrijven staan. De curator alsmede de belastingdienst kwalificeerde het showroommeubilair als bodemzaken. De belastingdienst beriep zich dan ook op het bodemvoorrecht, omdat deze een aantal vorderingen had op de schuldenaren. De ING Bank had tot zekerheid voor de nakoming van haar vorderingen een pandrecht op goederen van failliet, inclusief op de eventuele voorraden. De ING Bank kwalificeerde de showroommodellen als voorraad.

De belastingdienst heeft op grond van artikel 21 lid 2 Iw 1990, als de showmodellen bodemzaken zijn, voorrang  boven ING bij het verhaal op de opbrengst van het meubilair. De rechtbank oordeelde in eerste aanleg dat showroommodellen bodemzaken zijn.[1] Het Hof Amsterdam vernietigde dit vonnis en oordeelde dat showroommodellen niet als bodemzaken zijn te kwalificeren. Namelijk onder roerende zaken die dienen ´tot stoffering´ van een bedrijf moeten aangemerkt worden ‘’zaken die strekken tot een enigszins duurzaam gebruik van het gebouw overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming, waardoor dat gebouw tevens beter aan die bestemming beantwoordt’’.[2] Het Hof concludeert dan ook dat showroommodellen niet als zodanig zijn aan te merken. De Hoge Raad verschaft in 2011 uiteindelijk duidelijkheid over de kwestie en is het eens met het Hof. Showroommodellen zijn geen bodemzaken. Showmodellen dienen met regelmaat vervangen te worden door nieuwe modellen om aan de mode of aan eisen van het moment te voldoen. Dit brengt met zich mee dat de modellen inderdaad niet dienen tot enig duurzaam gebruik in het bedrijf waarin zij zijn opgesteld. Het zijn geen zaken die dienen tot stoffering, zoals artikel 22 lid 3 van de Iw 1990 bedoeld.[3] Nu het geen bodemzaken zijn, maar handelswaar, heeft de fiscus op deze modellen geen bodemvoorrecht op basis van artikel 21 lid 2 Iw 1990. Nu de fiscus geen voorrang heeft op de opbrengst van het meubilair, kan de bank haar zekerheidsrecht uitwinnen.
 
Showroommodellen zijn geen bodemzaken en vallen derhalve niet onder het bodemvoorrecht van de fiscus. Het gaat het kader van deze uiteenzetting te buiten om meer voorbeelden van bovenstaande problematiek hier te bespreken, maar als u advies wilt inwinnen over bovenstaande problematiek kunt u gerust contact opnemen met ons kantoor.

Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.

 


[1] Rb. Rotterdam 16 april 2009, JOR 2009/161.
[2] Hof Amsterdam 2 maart 2010, JOR 2010/251.
[3] HR 9 december 2011, NJ 2011/600.