De (ex-)ondernemer en de WSNP

Datum 01-02-2017
Bericht geschreven door: mr. P. (Peter) van Rossum, advocaat
De rechtbank Rotterdam heeft het verzoek van een ex-ondernemer om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen[1].
 
De ex-ondernemer heeft een schuldenlast van € 91.364,--, en ontvangt op het moment van het verzoek een bijstandsuitkering. Eind 2013 is verzoeker ontslagen in een reorganisatie, en daarbij ontving hij een bedrag van ruim € 81.500,--. Dit bedrag is in een stamrecht BV gestort. Vervolgens is verzoeker in januari 2014 vertrokken naar Spanje en heeft daar een restaurant gekocht voor € 65.000,-- met geleend geld uit de stamrecht BV. Omdat de resultaten tegenvielen en de aanloopkosten fors waren heeft verzoeker het restaurant binnen 6 maanden verkocht en keerde terug naar Nederland. De eigen woning in Nederland werd bij executie verkocht omdat hij de (hypotheek-)lasten niet meer kon voldoen. De stamrecht BV is in januari 2016 ontbonden bij gebrek aan baten.
 
De rechtbank Rotterdam heeft het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, en heeft in de overwegingen de volgende omstandigheden van belang geacht:
  • Er was al sprake van een instabiele financiële situatie bij vertrek uit Nederland: direct na ontvangst van de vertrekpremie heeft verzoeker een doorlopend krediet ad. € 10.000,-- aangezuiverd alsmede een lening van ook € 10.000,-- bij de ING Bank afgelost.
  • Er is onvoldoende onderzoek verricht naar de kans van slagen van het restaurant in Spanje, èn verzoeker had geen enkele financiële buffer om eventuele tegenslagen op te vangen.
  • Dubbele woonlasten in Nederland.
  • Het horecapand is aangekocht één dag na aankomst in Spanje; een overhaaste en daarmee onbezonnen stap volgens de rechtbank Rotterdam.
  • Onderschatting van de aanloopkosten van een horecaonderneming.
  • Overhaast handelen bij verkoop van de onderneming. Er is onvoldoende zekerheid dat de koopsom zou worden voldaan. Ten tijde van de behandeling van het verzoek is niet duidelijk of ,en zo ja hoe, verzoeker heeft getracht de aankoopsom te verhalen op de koper.
  • Er zijn belastingschulden ontstaan over 2011, 2014 en 2015.
  • Er is sprake geweest van overbesteding.
Dit zijn allemaal omstandigheden die te maken hebben met de beoordeling van de vraag of het ontstaan of onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift te goeder trouw zijn geweest. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan dan wel onbetaald gelaten op grond van de omstandigheden die hiervoor zijn aangegeven. De omstandigheden zoals hiervoor geschetst getuigen volgens de rechtbank Rotterdam van financieel lichtzinnig gedrag dat zich niet met de toelating tot de schuldsaneringsregeling verdraagt.


Bezint eer ge begint, is het motto hier zo lijkt het. Het lichtvaardig handelen door een onderneming te beginnen zonder veel onderzoek te doen naar de kosten en opbrengsten, en zonder een buffer om (vooral in de beginperiode) eventuele tegenvallers op te vangen kan dus een reden zijn om het ontstaan van de schulden te kwalificeren als zijnde niet te goeder trouw. Er zal altijd naar alle omstandigheden van het geval worden gekeken bij de beoordeling van dergelijke zaken, maar dit zijn wel punten die worden meegenomen in de beoordeling van het gedrag ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden.
 

Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.

Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.


[1] Rechtbank Rotterdam, 10-08-2016, ECLI:NL:RBROT:2016:7224