De (ex-)ondernemer en de WSNP, deel 2

Datum 13-04-2017
Bericht geschreven door: mr. P. (Peter) van Rossum, advocaat
In deze zaak heeft de rechtbank Limburg in eerste instantie het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (verder WSNP) afgewezen, echter in hoger beroep heeft het Hof Den Bosch verzoekers alsnog toegelaten tot de WSNP[1].
 
De feiten zijn als volgt:
  • Een echtpaar heeft vanaf 1 februari 1993 tot 1 februari 2010 een onderneming gedreven: het betrof een vennootschap onder firma.
  • De schuldenlast bedraagt € 926.264,68, waaronder een schuld van € 819.815,88 aan de SNS Bank.
  • Het echtpaar heeft aangegeven dat zij in 2005 een rijksbijdrage hebben ontvangen om te kunnen voldoen aan de strengere eisen voor de opslag van vuurwerk. In 2008 werd deze bijdrage onverwacht privé fiscaal belast.
  • De man raakte in 2005 arbeidsongeschikt.
  • In 2010 is een pand ver beneden de executiewaarde met verlies verkocht waardoor er een schuld is ontstaan aan de SNS Bank.
De rechtbank Limburg heeft het verzoek om toegelaten te worden tot de WSNP afgewezen omdat het echtpaar niet aan de hand van stukken inzichtelijk heeft gemaakt wanneer en waarom de schulden zijn ontstaan en onbetaald gelaten. De rechtbank constateerde ook discrepanties in de jaarrekeningen, en kon zich geen beeld vormen of de goeder trouw ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoek aannemelijk is gemaakt.

Het Hof acht zich wel voldoende voorgelicht ten aanzien van de aard en het ontstaan van de schulden, en acht het voldoende aannemelijk dat de schulden te goeder trouw zijn ontstaan. Het Hof overweegt in dit kader het volgende: de man heeft de onderneming sinds 1984 als eenmanszaak en vanaf 1993 als V.O.F. gedreven, en voor het moment in 2005 waarop hij zich om medische redenen gedwongen zag de financiële administratie aan zijn oudste zoon over te dragen, niet is gebleken van betalingsachterstanden. Daarnaast worden de door het echtpaar geschetste gedragingen van de oudste zoon onderschreven door de andere zoon van het echtpaar.

Het Hof overweegt nog dat het echtpaar als (mede-)vennoten weliswaar mede verantwoordelijk zijn voor de onzorgvuldige wijze waarop de zoon de financiële administratie heeft gevoerd, èn hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daaruit ontstane schuldenlast, maar dat de rol van het echtpaar daarin dermate beperkt kan worden geacht dat dit niet aan een toelating tot de WSNP in de weg kan staan. Het Hof acht de discrepanties in de jaarstukken niet van doorslaggevend belang bij de beantwoording van de vraag of het echtpaar al dan niet te goeder trouw kan worden geacht.
 

Er zal altijd naar de omstandigheden van het geval worden gekeken bij de beoordeling van het gedrag ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden. In dit geval is er sprake geweest van een periode van ruim 20 jaar van ondernemerschap zonder dat er schulden zijn ontstaan. Daarnaast was de rol van deze verzoekers in het ontstaan van de schuldenlast beperkt. Dit lag in de zaak zoals besproken in mijn nieuwsbrief van 1 februari 2017 wel anders waar de verzoeker lichtvaardig (en voor korte duur) een onderneming is gestart met een schuldenlast van ruim € 91.000,-- tot gevolg.


Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.

Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.


[1] Hof Den Bosch, 24-11-2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5363