De (ex-)ondernemer en de WSNP, deel 3

Datum 21-06-2017
Bericht geschreven door: mr. P. (Peter) van Rossum, advocaat
In eerste instantie heeft de rechtbank Gelderland het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) niet ontvankelijk verklaard, het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het verzoek afgewezen en de Hoge Raad verwerpt het beroep[1].
 
Op grond van artikel 288 lid 1 sub d Fw. heeft het hof geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de verzoeker te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van een substantieel deel van de zakelijke schuldenlast. Uit de stukken en het behandelde tijdens de zitting maakt het hof op dat de verzoeker grote investeringen heeft gedaan en grote leningen heeft afgesloten waarvoor hij persoonlijk aansprakelijk is zonder dat hij (veel) ervaring had als ondernemer en zonder dat hij noemenswaardig eigen kapitaal kon inbrengen. Verzoeker heeft niet aannemelijk kunnen maken dat het aangaan van deze schulden in deze positie verantwoord was en dat hij deze schulden te goeder trouw is aangegaan.

In deze zaak was het zo dat de verzoeker met zijn medevennoten met grote bedragen is blijven investeren in de productie van een exotisch substraat. Terwijl door concurrentie en ontwikkelingen op de markt volgens het verhaal van verzoeker de voorgenomen capaciteit niet meer levensvatbaar was, is toch besloten om in 2015 nog meer te investeren. Met name ten aanzien van die laatste investering ad. € 200.000,-- in 2015 is niet aannemelijk geworden dat die onder de gegeven omstandigheden (verlies vanaf de oprichting van de onderneming, er waren al grote schulden, de bank weigerde mee te werken aan de verdere investeringen, oplopend negatief eigen vermogen) verantwoord was. Verzoeker kon ook geen ondernemingsplan tonen met een onderbouwing van de met deze investeringen reëel te verwachten rendementen. Dat de investeerders nog wel met verzoeker in zee wilden gaan doet niet af van zijn eigen verantwoordelijkheid om na te gaan of verdere investeringen nog wel verantwoord zijn.

Daarnaast heeft het hof op grond van artikel 288 lid 1 sub c Fw. geoordeeld dat het verzoek om toegelaten te worden tot de WSNP ook afgewezen moet worden omdat verzoeker niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de uit de WSNP voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en dat hij zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Tijdens de behandeling van het beroep heeft verzoeker verklaard dat hij gezien het verwerken van de ondergang van de onderneming er nog niet aan toe is om meer dan 28 uur per week te werken. Verzoeker heeft aangegeven dat hij jarenlang tevergeefs keihard heeft gewerkt, en dat het laatste waar hij nu mee bezig is het zoveel mogelijk inspannen voor zijn schuldeisers. Daarnaast heeft hij aangegeven dat hij zich als voormalig ondernemer nog niet voor een baas ziet werken.

In twee van mijn eerdere nieuwsbrieven (1 februari 2017 & 13 april 2017) en heb ik ook zaken besproken van ex-ondernemers die een verzoek hebben ingediend tot toelating tot de WSNP. In het ene geval was er sprake van een periode van ruim 20 jaar van ondernemerschap zonder dat er schulden zijn ontstaan, in de andere zaak was verzoeker lichtvaardig (en voor korte duur) een onderneming is gestart met een schuldenlast van ruim € 91.000,-- tot gevolg. In dit geval is het net weer even wat anders, en gaat de beoordeling weer meer richting het motto dat ik aanhaalde in de nieuwsbrief van 1 februari 2017: bezint eer ge begint.

In deze zaak ging het met name over de afweging die de ondernemer heeft gemaakt ten aanzien van het maar blijven aangaan van nieuwe verplichtingen terwijl de omstandigheden er wellicht naar waren om de onderneming (eerder) te staken. Dat is altijd een lastige afweging, maar wel een die wordt beoordeeld in het kader van de wijze waarop de schulden zijn ontstaan. Zoals ik al eerder heb aangegeven zal er altijd naar alle omstandigheden van het geval worden gekeken bij de beoordeling van dergelijke zaken, maar dit zijn wel punten die worden meegenomen in de beoordeling van het gedrag ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden.

Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.


Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.


[1] Hoge Raad, 31-03-2017, ECLI:NL:HR:2017:573 & ECLI:NL:HR:2017:561