Diverse uitspraken schuldsaneringsregeling

Datum 22-07-2014
Bericht geschreven door: mr. P. (Peter) van Rossum, advocaat
In deze nieuwsbrief zal ik een aantal interessante uitspraken in het kort weergeven.
 
Afwijzing moratoriumverzoek betreffende een dreigende woninguitzetting
In twee zaken heeft de rechtbank een verzoek op grond van artikel 287b Fw afgewezen[1]. Op grond van dit artikel kan de schuldenaar verzoeken de verhuurder te verbieden een ontruimingsvonnis ten uitvoer te leggen.
 
De rechtbank Midden Nederland heeft het verzoek afgewezen omdat de schuldenaar nog in de stabilisatiefase zat waarbij het inkomen (nog) niet is afgestemd op de uitgaven. Een verzoek op grond van artikel 287b Fw is niet bedoeld om de (aan het minnelijk traject voorafgaande) stabilisatiefase te ondersteunen, zo overweegt de rechtbank.
 
De rechtbank Rotterdam heeft wel vastgesteld dat er sprake is van een bedreigende situatie in de zin van artikel 287b Fw en overweegt dat de wetgever heeft beoogd om een schuldenaar in een dergelijke situatie een adempauze te bieden zodat de schuldenaar met zijn schuldeisers een buitengerechtelijke regeling overeen kan komen. Maar in dit geval heeft de schuldenaar aangegeven dat hij zijn schulden zelf wil oplossen, geen budgetbeheer wil en wil zich niet onderwerpen aan de regels die gelden tijdens een minnelijk traject. Bovendien heeft de schuldenaar geen intentie om een verzoek te doen tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling indien het niet lukt om regelingen te treffen met de schuldeisers, is er geen zekerheid gegeven over de betalingen van de toekomstige huurpenningen èn heeft de schuldenaar geen inkomen uit werk. Daarnaast zijn er ook nog recent nieuwe schulden ontstaan. De rechtbank overweegt dat de schuldenaar wel de lusten van de voorziening probeert te krijgen maar is niet bereid daarbij tevens de – ter bescherming van de belangen van de schuldeisers geldende – lasten voor zijn rekening te nemen.
 
Bijwonen behandeling verzoek toelating schuldsaneringsregeling
In deze zaak heeft een schuldeiser verzocht de behandeling van het schuldsaneringsverzoek bij te mogen wonen, alsmede te worden gehoord omdat zij vreest dat de schuldenaar onjuist dan wel onvolledig zal verklaren ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van de schulden. De rechtbank Rotterdam heeft dit verzoek afgewezen[2]. De rechtbank Rotterdam overweegt eerst dat de procedure van de behandeling van het schuldsaneringsverzoek valt onder artikel 6 EVRM dat uitgaat van een openbare behandeling. Echter, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 1981 (NJ 1982, 450) moet worden aangenomen dat de belangen van de schuldenaar zich in het algemeen verzetten tegen een openbare behandeling. Dit heeft vooral te maken met de behoefte aan privacy en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de schuldenaar. Verder overweegt de rechtbank dat de wetgever ervoor gekozen heeft de positie van de schuldeiser bij de behandeling van een schuldsaneringsverzoek uitermate beperkt te houden. De wet voorziet ook niet in het horen van een schuldeiser. De rechtbank overweegt verder dat de belangen van de schuldeisers zijn verwerkt in de weigeringsgronden die zijn opgenomen in artikel 288 Fw. Bovendien mag de rechtbank bij de behandeling van het verzoek een brief of andere stukken die door een schuldeiser zijn ingediend meenemen in de beslissing op het verzoek.
 
 
Afwijzing verzoek tot verkorten van looptijd schuldsaneringsregeling
In deze zaak van de rechtbank Den Haag[3] is de schuldenaar op 18 oktober 2011 failliet verklaard, vervolgens is op 20 februari 2014 de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de schuldenaar uitgesproken onder opheffing van het faillissement. De rechter-commissaris heeft het verzoek tot het verkorten van de schuldsaneringsregeling afgewezen, en de schuldenaar is in beroep gekomen van deze beslissing. De schuldenaar is van mening dat de periode dat de schuldenaar in staat van faillissement heeft verkeerd moet worden afgetrokken van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.
 
De termijn van de schuldsaneringsregeling is in principe drie jaar, maar op grond van artikel 349a lid 2 Fw kan de rechter-commissaris de termijn wijzigen. In de richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen is een bepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat de termijn van de schuldsaneringsregeling kan worden verkort als de schuldenaar in een voorafgaand faillissement het gedeelte van het inkomen boven het vrij te laten bedrag heeft afgedragen aan de boedel.
 
De rechtbank overweegt dat de schuldsaneringsregeling met name is gericht op het verdienen van de schone lei, en het faillissement met name op de vereffening van de faillissementsboedel. Ook neemt de rechtbank in de overwegingen mee dat een regulier verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling voorafgegaan moet worden door een minnelijk traject, en dat een dergelijk traject ook een geruime tijd in beslag neemt. Gedurende de periode van het minnelijk traject wordt vaak ook gespaard, en het gespaarde saldo valt ook in de boedel en heeft niet zonder meer een verkorting van de looptijd tot gevolg. De rechtbank overweegt dat er geen reden is, althans dat er daartoe geen/onvoldoende bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd, om anders te handelen als een faillissement voorafgaat aan een schuldsaneringsverzoek. Dus er is geen reden dat de periode waarin gedurende het faillissement is afgedragen aan de boedel zonder meer tot een verkorting van de termijn van de schuldsaneringsregeling moet leiden.
 
De belangen van de schuldeisers om zoveel mogelijk van de openstaande vordering voldaan te krijgen moet worden afgewogen tegen het belang van de schuldenaar om zo snel mogelijk een schone lei te krijgen. Hierbij kan rekening gehouden worden met de periode dat er gedurende het voorafgaande faillissement is afgedragen aan de boedel, maar dit is niet doorslaggevend aldus de rechtbank.
 
In dit geval is er ook nog sprake van een aanzienlijke schuldenlast en hebben de afdrachten gedurende het faillissement niet geleid tot een boedelactief waaruit een noemenswaardige uitkering aan de schuldeisers mogelijk is. Verder is er nu ook sprake van een redelijk afdracht mogelijkheid waardoor een aanzienlijk deel van de schulden kan worden voldaan. Gedurende een “normale” looptijd van drie jaar zou het aan de schuldeisers uit te delen bedrag vermeerderen met een bedrag van ongeveer € 7.500,-- . Dit kan volgens de rechtbank niet worden aangemerkt als een “verwaarloosbare meeropbrengst”.
 
Gezien onder meer het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van de schuldeisers bij handhaving van de driejaarstermijn zwaarder weegt dan het belang van de schuldenaar bij een verkorting van de termijn.
 
Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.

Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.


[1] Rechtbank Midden Nederland, 27-02-2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:941 & rechtbank Rotterdam, 18-03-2014, ECLI:NL:RBROT:2014:2550
[2] Rechtbank Rotterdam, 19-03-2014, ECLI:NL:RBROT:2014:2545
[3] Rechtbank Den Haag, 27-05-2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:7671