Dwangakkoord: een aantal uitspraken

Datum 26-04-2016
Bericht geschreven door: mr. P. (Peter) van Rossum, advocaat
In deze nieuwsbrief bespreek ik een aantal uitspraken waarbij een verzoek tot een gedwongen schuldregeling ex. artikel 287aFw. wordt behandeld.
 
In zijn algemeenheid is het uitgangspunt voor de rechtbank bij het behandelen van een dergelijk verzoek dat het iedere schuldeiser in principe vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering wordt voldaan. Het aangeboden bedrag dan wel percentage zal in principe altijd lager zijn dan 100%, derhalve staat het belang van een schuldeiser bij weigering van het aanbod van de schuldenaar vast.
 
Vervolgens zal de rechtbank moeten beoordelen of de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, waarbij in aanmerking wordt genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering van het aanbod, en het belang van de schuldenaar of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
 
Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming van het akkoord heeft kunnen komen.
 
Verzoek tot instemming met de schuldregeling is afgewezen[1].
In deze zaak van de rechtbank Rotterdam zijn de feiten kort samengevat als volgt:
  • Er is een aanbod aan de schuldeisers gedaan waarbij ongeveer 16,95% van de concurrente vorderingen wordt voldaan (het betreft een prognosepercentage, dus dit kan nog aangepast worden);
  • 15 schuldeisers stemmen in met het aanbod, 1 schuldeiser met twee vorderingen (ex-echtgenote van de schuldenaar) weigert de instemming. De ex-echtgenote heeft een vordering uit hoofde van achterstallige alimentatie en de schuldenaar is bij verstek veroordeeld tot betaling van een vergoeding in een procedure over de diefstal van sieraden.
De rechtbank Rotterdam stelt allereerst vast dat de vorderingen van de weigerende schuldeiser een aanzienlijk aandeel vormen in de totale schuldenlast (27,27%). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering tot instemming van de schuldregeling kon komen.
 
In dit geval heeft de schuldenaar aangevoerd dat de andere schuldeisers worden benadeeld door de weigering omdat zij minder zullen ontvangen indien de kosten van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) ook nog moeten worden voldaan. De schuldeiser betwist dit niet, maar in de kern komt het verweer van de schuldeiser erop neer dat van haar niet kan worden verwacht dat zij actief meewerkt aan de schuldsanering van de schuldenaar omdat zij geen enkel vertrouwen meer heeft in zijn goede bedoelingen. Ook is de schuldeiser van mening dat het aanbod niet het uiterste is waartoe de schuldenaar in staat is.
 
De rechtbank Rotterdam overweegt dat bij de vraag of de schuldeiser in redelijkheid mag weigeren om in te stemmen met het aanbod ook betrokken kan worden hoe de vordering is ontstaan. In dit geval komen de vorderingen voort uit een moeizame echtscheiding. Het is voorstelbaar dat met deze achtergrond niet opgebracht kan worden om in te stemmen met een minnelijke regeling. Daarbij kan in het midden blijven welke lezing van de feiten correct is: de verhouding is in ieder geval ernstig verstoord.
 
Het financiële aspect (niet betalen van kosten WSNP) is niet zodanig zwaarwegend dat dit de doorslag moet geven: het betreft ten opzichte van de totale schuldenlast een betrekkelijk klein bedrag. Het belang van de schuldenaar wordt ook niet onaanvaardbaar geschaad door de weigering omdat hij ook een schuldenvrije toekomst kan realiseren door de WSNP. “In dit traject zal er strikte controle zijn op de naleving van de verplichtingen, zodat de schuldeisers (…) er (meer) op kunnen vertrouwen dat de schuldenaar zich tot het uiterste zal inspannen om zijn schuldeisers zo veel als mogelijk te voldoen.”
 
De rechtbank Rotterdam is in dit geval van oordeel dat de belangen van de schuldeiser zwaarder wegen dan die van de schuldenaar of de overige schuldeisers: het verzoek tot het bevelen van instemming met de aangeboden regeling wordt dan ook afgewezen.
 
Vordering tot instemming met schuldregeling wordt afgewezen[2].
In deze zaak van de rechtbank Overijssel zijn de feiten als volgt:
  • de schuldenaar was een adviseur op het gebied van beleggingen, heeft daarmee negatieve resultaten behaald, en is inmiddels gepensioneerd;
  • de totale schuldenlast bedraagt € 785.134,55;
  • alle schuldeisers, met uitzondering van één, hebben de vaststellingsovereenkomst getekend;
  • het voorstel houdt in dat de schuldenaar over een periode van 7 jaar tot betaling van ongeveer 37% van alle schulden zal overgaan;
  • de weigerende schuldeiser heeft in een bodemprocedure betaling gevorderd van het openstaande bedrag van ruim € 26.000,--.
De rechtbank overweegt dat de houding van de weigerende schuldeiser niet onredelijk is omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het voorstel voldoende deugdelijk is onderbouwd èn dat het voorstel is opgesteld door een onafhankelijke professional. De schuldenaar heeft het voorstel zelf, dan wel samen met zijn advocaat, opgesteld. Daar komt nog bij dat ten aanzien van het voorstel de waarborgen ontbreken die de faillissementswet biedt bij de totstandkoming en gevolgen van een buitengerechtelijk akkoord, met name ten aanzien van het toezicht op de vermogenspositie van de schuldenaar. Bovendien heeft de weigerende schuldeiser geen onzekere beleggingsvordering (de exacte hoogte van deze beleggingsvorderingen kan lastig worden vastgesteld) zoals de meeste andere schuldeisers, maar een concreet opeisbare vordering uit hoofde van een verstrekt consumptief krediet.

De rechtbank Overijssel wijst gezien het vorenstaande de vordering tot instemming van de schuldregeling af. De schuldenaar heeft onvoldoende aannemelijk kunnen maken dat de schuldeiser in redelijkheid het aanbod niet had kunnen weigeren, en dat hij daarmee misbruik van zijn bevoegdheid maakt.

De rechtbank vervolgt met de overweging dat zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat de schuldeiser de slechte financiële positie van de schuldenaar kent of behoorde te kennen, dit dat in zijn algemeenheid nog niet genoeg is om te oordelen dat de schuldeiser misbruik maakt van zijn bevoegdheid. Tegenover het belang van de schuldenaar om een faillissement of schuldsanering te voorkomen staat het zwaarwegende belang van de schuldeiser bij voldoening van haar vordering door verhaal op alle goederen van de schuldenaar, aldus de rechtbank. Van de schuldeiser kan niet worden gevraagd dat zij het belang van de schuldenaar om (sneller) van zijn bestaande schuldenlast af te zijn laat prevaleren. De schuldeiser heeft daarom een gerechtvaardigd belang bij weigering van haar instemming aan het saneringsvoorstel.
 
Vordering tot instemming met schuldregeling wordt toegewezen [3]
In deze zaak van de rechtbank Noord Holland zijn de feiten als volgt:
  • er is slechts 1 schuldeiser die weigert in te stemmen met het aangeboden bedrag cq percentage;
  • het betreft een aanbod waarbij 71,72% van de concurrente schulden zal worden voldaan;
  • gedurende een eventuele WSNP zal de afdrachtcapaciteit gelijk zijn als de capaciteit in het aanbod, en in een WSNP zullen daarvan ook nog de kosten van de WSNP moeten worden voldaan zodat er een lager bedrag ter beschikking van de schuldeisers zal komen.
De schuldeiser heeft onder andere aangegeven dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan. De rechtbank Noord Holland is van oordeel dat van het ontbreken van goeder trouw niet is gebleken. Daarbij zijn de volgende omstandigheden van belang:
  • de overeenkomst dateert uit 2007, en is derhalve meer dan vijf jaar gelden aangegaan;
  • met deze geldlening zijn drie oudere leningen afgelost;
  • vervolgens is de schuldenaar ziek geworden (psychisch) en heeft zij zich onder bewind laten stellen;
  • de civiele bewindvoerder heeft de zaken niet op een goede manier afgehandeld, en er is een nieuwe bewindvoerder aangesteld op 14 januari 2015;
  • de schuldenaar heeft een contract voor 31,5 uur per week en werkt daarnaast zoveel mogelijk extra uren;
  • er ontstaan geen nieuwe schulden sinds de nieuwe bewindvoerder de belangen van de schuldenaar behartigd.
De rechtbank Noord Holland komt gezien het vorenstaande tot de conclusie dat toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling geen hogere uitkering voor de schuldeisers op zal leveren. De rechtbank overweegt vervolgens dat het belang van de schuldenaar en de overige schuldeisers zwaarder weegt dat het belang van de schuldeiser, en dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming van de schuldregeling kan komen. Derhalve wijst de rechtbank Noord Holland het verzoek tot het instemmen met de aangeboden schuldregeling toe.

Bij de behandeling van het verzoek tot het bevelen van instemming met een schuldregeling wordt in principe altijd gekeken naar het voorstel zelf: door wie is het opgesteld, is er voldoende onderbouwing van het aangeboden bedrag cq percentage èn is dit bedrag het uiterste waartoe de schuldenaar in staat is. Daarnaast spelen bij de belangenafweging ook de omstandigheden van het geval een rol zoals bijvoorbeeld het ontstaan van de schulden, de huidige situatie van de schuldenaar, het percentage van de vordering van de weigerende schuldenaar/schuldenaren ten opzichte van de totale schuldenlast en de reden van het niet instemmen met het aanbod.
 
Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.
 
Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.


[1] Rechtbank Rotterdam, 26-1-2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2341
[2] Rechtbank Overijssel, 14-3-2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:914
[3] Rechtbank Noord-Holland 25-2-2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:1828