Dwangakkoord - vervolg

Datum 21-06-2016
Bericht geschreven door: mr. P. (Peter) van Rossum, advocaat
In de vorige nieuwsbrief van 26 april 2016 heb ik een aantal uitspraken besproken waarbij een verzoek tot een gedwongen schuldregeling wordt behandeld.
 
In deze nieuwsbrief heb ik aangegeven dat in zijn algemeenheid het uitgangspunt voor de rechtbank bij het behandelen van een dergelijk verzoek is dat het iedere schuldeisers in principe vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering wordt voldaan.
 
Vervolgens zal de rechtbank moeten beoordelen of de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, waarbij een belangenafweging wordt gemaakt tussen het belang van de schuldeiser om het aanbod te weigeren en het belang van de schuldenaar en de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming met de schuldregeling.
 
Tot slot heb ik uit de verschillende uitspraken opgemaakt dat bij de behandeling van het verzoek tot het bevelen van instemming met een schuldregeling in principe altijd wordt gekeken naar het voorstel zelf: door wie is het opgesteld, is er voldoende onderbouwing van het aangeboden bedrag cq percentage èn is dit bedrag het uiterste waartoe de schuldenaar in staat is. Daarnaast spelen bij de belangenafweging ook de omstandigheden van het geval een rol zoals bijvoorbeeld het ontstaan van de schulden, de huidige situatie van de schuldenaar, het percentage van de vordering van de weigerende schuldenaar/schuldenaren ten opzichte van de totale schuldenlast en de reden van het niet instemmen met het aanbod.
 
De rechtbank Noord-Holland heeft in een uitspraak van 19 januari 2016 een verzoek om een weigerende schuldeiser te bevelen in te stemmen met een schuldregeling afgewezen op de omstandigheden van het geval[1]. De belangafweging die moet worden gemaakt wordt zo weer verder ingekleurd.
 
In deze zaak zijn de feiten kort samengevat als volgt:
  • de schuldenaar heeft een totale schuldenlast van € 19.886,39 aan zes schuldeisers;
  • de weigerende schuldeiser (BDO Finance) heeft een vordering ter hoogte van € 6.600,23;
  • er is een schuldregeling aangeboden waarbij aan de preferente schuldeisers een uitkering wordt gedaan van 14,58% en aan de concurrente schuldeisers 7,29%;
  • de aangeboden regeling is door de andere schuldeisers, met uitzondering van BDO Finance, aanvaard;
  • BDO Finance heeft als reden voor het onthouden van de instemming aangegeven dat er sprake is van een fraudevordering, en dat daarnaast een eerder afgesproken betalingsregeling niet is nagekomen. Daarnaast heeft BDO Finance aangegeven dat er onvoldoende waarborgen zijn om te verzekeren dat de schuldenaar zich zal inspannen om meer inkomsten te genereren, en vraagt zich af welke sancties zijn verbonden aan het niet-nakomen van de verplichtingen door de schuldenaar. Dit in tegenstelling tot een wettelijk schuldsaneringstraject.
  • De schuldenaar heeft verklaard dat de fraude al in 2008 heeft plaatsgevonden, en dat zij in het minnelijk traject 1 maal per jaar wordt gecontroleerd op de sollicitatie-inspanningen. Indien de sollicitatieplicht niet wordt nagekomen zal het minnelijk traject worden beëindigd. Daarnaast rust er uit hoofde van de Participatiewet ook een sollicitatieplicht op de schuldenaar, waarbij er wordt gekort op de uitkering bij niet-nakoming van deze verplichting. Volgens de schuldenaar is er dus sprake van een dubbele controle.
Ook hier overweegt de rechtbank Noord Holland dat de vordering slechts kan worden toegewezen indien BDO Finance in redelijkheid niet tot weigering van de instemming van de schuldregeling heeft kunnen komen. Daarbij verwijst de rechtbank Noord Holland weer naar de belangenafweging tussen het belang van BDO Finance enerzijds en het belang van de schuldenaar en de overige schuldeisers anderzijds. De rechtbank overweegt verder dat het ontbreken van goeder trouw een rol kan spelen bij deze belangenafweging, maar dat dit niet allesbepalend is. [2]
 
Vervolgens stelt de rechtbank vast dat op grond van de stukken en het behandelde op de zitting is gebleken dat de schuldenaar destijds gelden van haar werkgever (BDO Finance) heeft ontvreemd. Deze omstandigheid en het feit dat er een relatief laag percentage zal worden voldaan in de schuldregeling maakt al dat niet kan worden gesteld dat BDO Finance in redelijkheid niet tot weigering van de schuldregeling heeft kunnen komen.
 
Tot slot leest de rechtbank in de reden van BDO Finance om niet in te stemmen met de regeling ten aanzien van de waarborgen op het naleven van de verplichtingen, dat BDO Finance van oordeel is dat de waarborgen op de naleving van de verplichtingen (waaronder de sollicitatieplicht) in de wettelijke regeling beter zijn dan in het minnelijk traject. De rechtbank Noord Holland is van mening dat dit betoog van BDO Finance ook hout snijdt. In dit kader overweegt de rechtbank dat aangezien de schuldenaar op dit moment geen betaalde baan heeft, BDO Finance er belang bij heeft dat de controle op de inspanningsverplichting om een betaalde baan te vinden maximaal is. Ook om deze reden kan niet worden gezegd dat BDO Finance in redelijkheid niet tot weigering van de aangeboden regeling heeft kunnen komen.
 
Het verzoek om BDO Finance te bevelen in te stemmen met het akkoord wordt dan ook afgewezen door de rechtbank Noord-Holland.
 
 
In dit geval zijn dus met name de volgende zaken van belang geweest: ontstaan van de schulden[3], hoogte van het percentage en de huidige situatie (geen werk, waarborgen toezicht[4] etc). Er lijkt zich wel een aardig duidelijk beeld af te tekenen van de omstandigheden waarbij in de beoordeling van een verzoek tot een gedwongen schuldregeling rekening wordt gehouden. Het zal altijd van de feiten afhangen op welke manier bepaalde punten waarop de aangeboden regeling en de weigering tot instemming wordt ingevuld en beoordeeld, maar het lijkt erop dat de punten waarop wordt beoordeeld wel redelijk vast staan.
 
 
 Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.
 
Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.


[1] Rechtbank Noord-Holland, 19-1-2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:304
[2] Vergelijk voor een andere beoordeling van de goeder trouw de uitspraak van dezelfde rechtbank d.d. 25-2-2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:1828, die in de nieuwsbrief van 26 april 2016 is besproken. In deze uitspraak oordeelde de rechtbank dat van het ontbreken van goeder trouw niet is gebleken. Het is wel zo dat in de uitspraak van deze nieuwsbrief de rechtbank niet expliciet oordeelt dat de goeder trouw ontbreekt en zijn de feitelijke omstandigheden niet helemaal gelijk, wel is te zien welke omstandigheden in een dergelijke beoordeling van belang worden geacht.
[3] Vergelijk ook de uitspraak van de rechtbank Rotterdam d.d. 26-1-2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2341 uit de nieuwsbrief van 26 april 2016 op dit punt (vordering vanuit een moeizame echtscheiding).
[4] Vergelijk ook de uitspraak van de rechtbank Overijssel d.d. 14-3-2016, RCLI:NL:RBOVE:2016:914 uit de nieuwsbrief van 26 april 2016. Daar ging het met name om de waarborgen voor het toezicht op de vermogenspositie.