Dwangakkoord & WSNP

Datum 08-03-2017
Bericht geschreven door: mr. P. (Peter) van Rossum, advocaat
De afgelopen periode heb ik twee uitspraken gezien waarbij is verzocht een weigerende schuldeiser te bevelen in te stemmen met een schuldregeling. In mijn nieuwsbrieven van april en juni 2016 heb ik ook een aantal uitspraken besproken waarbij dit speelde.
 
In de vorige nieuwsbrieven heb ik aangegeven dat in het algemeen het uitgangspunt voor de rechtbank bij het behandelen van een dergelijk verzoek is dat het iedere schuldeisers vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering wordt voldaan.
 
Vervolgens zal de rechtbank moeten beoordelen of de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, waarbij een belangenafweging wordt gemaakt tussen het belang van de schuldeiser om het aanbod te weigeren en het belang van de schuldenaar en de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming met de schuldregeling.
 
Tot slot heb ik uit de verschillende uitspraken opgemaakt dat bij de behandeling van het verzoek tot het bevelen van instemming met een schuldregeling in principe altijd wordt gekeken naar het voorstel zelf: door wie is het opgesteld, is er voldoende onderbouwing van het aangeboden bedrag cq percentage èn is dit bedrag het uiterste waartoe de schuldenaar in staat is. Daarnaast spelen bij de belangenafweging ook de omstandigheden van het geval een rol zoals bijvoorbeeld het ontstaan van de schulden, de huidige situatie van de schuldenaar, het percentage van de vordering van de weigerende schuldenaar/schuldenaren ten opzichte van de totale schuldenlast en de reden van het niet instemmen met het aanbod.
 
Verzoek dwangakkoord niet-ontvankelijk
De eerste zaak betreft een uitspraak van de rechtbank Den Haag waarbij een verzoek tot het bevelen in te stemmen met een schuldregeling niet-ontvankelijk wordt verklaard[1].
 
De verzoekster heeft een totale schuld van € 78.548,47 aan één schuldeiser: de ING Bank NV. Er is een schuldregeling aangeboden waarbij een uitkering kan worden gedaan van 2,2% tegen finale kwijting. De ING Bank heeft als reden van de weigering om in te stemmen met de regeling aangegeven dat het haar vrij staat om volledige betaling te verlangen, en dat zij de enige schuldeisers is en de wetgever met artikel 287a Fw. niet heeft kunnen beogen de schuldeiser die de gehele schuldenlast vertegenwoordigt te dwingen mee te werken aan een minnelijke schuldregeling. Verder voert de ING Bank nog aan dat er geen sprake is van een problematische schuldenlast in de zin dat de verzoekster financieel tot het onmogelijke wordt gedwongen. Er is geen sprake van (dreiging van) met ingrijpende invorderingsmaatregelen zoals beslag en/of huisuitzetting. Tot slot is de ING Bank nog van mening dat de aangeboden regeling niet in verhouding staat tot de openstaande vordering.
 
De rechtbank overweegt onder meer dat essentieel voor het karakter van het akkoord is dat er meer dan één schuldeiser bij betrokken is. Dit blijkt uit het systeem van de Faillissementswet: in elke regeling opgenomen in deze wet is er sprake van een meerderheid van schuldeisers die minderheden tot instemming kunnen dwingen. Dit blijkt tevens uit de overvloed aan jurisprudentie over het afdwingen van minnelijke akkoorden.

De rechtbank overweegt dat ons recht het algemene beginsel van contractsvrijheid kent, en het dwangakkoord een uitzondering is op deze regel. Aangezien het een uitzondering betreft, dient er een beperkte uitleg te worden gegeven aan de reikwijdte van dit artikel. De rechtbank besluit met de overweging dat artikel 287a Fw. ziet op een akkoord en niet op een vaststellingsovereenkomst tussen één schuldenaar en zijn enige schuldeiser, waarbij partijen het geschil in volle vrijheid met elkaar kunnen beëindigen. Daarom kan het verzoek niet worden gedaan op grond van artikel 287a Fw., en verklaart de rechtbank het verzoek bij het ontbreken van een andere wettelijke grondslag niet-ontvankelijk.
 
Afwijzing verzoek dwangakkoord
In de tweede zaak heeft de rechtbank Midden Nederland het verzoek tot het toepassen van artikel 287a Fw afgewezen omdat de wettelijke schuldsaneringsregeling meer waarborgen biedt.[2].
 
In deze zaak zijn de feiten als volgt:
  • Verzoekster is een alleenstaande vrouw van 35 jaar met twee kinderen (12 en 6 jaar).
  • Zij werkt 24 uur per week en heeft een vaste baan bij haar werkgever.
  • Verzoekster heeft 1 preferente en 4 concurrente schuldeisers met een totale schuldenlast ter hoogte van € 85.226,69.
  • Zij heeft een prognosevoorstel gedaan waarbij de concurrente schuldeisers 4,73% van hun vordering krijgen en de preferente schuldeiser het dubbele. Later bleek in dit voorstel te zijn uitgegaan van een te hoge aflossingscapaciteit en is 1,66% aan de concurrente schuldeisers aangeboden.
  • Het voorstel is door alle schuldeisers met uitzondering van de ING Bank NV geaccepteerd. De ING Bank vertegenwoordigt 69,93% van de schuldenlast.
  • Verzoekster heeft aangegeven dat er in een wettelijke schuldsaneringsregeling geen afloscapaciteit is.
De rechtbank begint met de standaardoverwegingen zoals in het begin van deze nieuwsbrief aangegeven. Vervolgens overweegt de rechtbank dat moet worden gekeken naar de inhoud van het akkoord, dat zal moeten worden vergeleken met de situatie waarin de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is. Indien wordt uitgegaan van het huidige inkomen wordt er in het aangeboden akkoord meer gespaard dan in de WSNP. Op dit punt is het akkoord voor de ING Bank en de overige schuldeisers gunstiger.

De rechtbank overweegt dat de volgende omstandigheden ook nog van belang zijn. Verzoekster is een vrouw van 35 jaar en werkt parttime. Zij heeft stukken overgelegd waaruit moet blijken dat zijn minder kan aflossen als zij meer gaat werken bij haar huidige werkgever in verband met de kosten voor kinderopvang en het wegvallen van toeslagen.

Gezien de leeftijd en huidige functie van verzoeker acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat zijn in staat is om een hoger inkomen te realiseren. De berekening van verzoekster dat meer werken tot meer kosten gaat leiden zijn gebaseerd op de situatie dat ze meer gaat werken bij haar huidige werkgever. Er is geen rekening gehouden met een fulltime baan of een tweede parttime baan bij een andere werkgever. Er kan ook verwacht worden dat verzoekster in de toekomst substantieel meer inkomen zal genereren en dus een grotere afloscapaciteit zal krijgen, aldus de rechtbank.

Dit stelt nadere eisen aan het aan te bieden akkoord: er moeten waarborgen worden ingebouwd die het aannemelijk maken dat verzoekster zich inspant om een zo hoog mogelijk inkomen te realiseren voor de schuldeisers. Over een dergelijke inspanningsverplichting is in het akkoord niet gesproken. Het enige voordeel is daarmee dat tijdens het minnelijke traject nu minimaal wordt afgelost. Dit voordeel weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de waarborgen die de wettelijke schuldsaneringsregeling biedt.

Hoewel verzoekster heeft aangegeven dat zij graag meer wil werken acht de rechtbank de waarborgen van een WSNP van belang nu de kans aannemelijk kan worden geacht dat de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de WSNP ertoe zullen leiden dat verzoekster zich maximaal zal inspannen om een fulltime baan te vinden waardoor de afloscapaciteit zal toenemen. De rechtbank acht het daarom van belang dat deze verplichtingen komen te rusten op verzoekster onder toezicht van een bewindvoerder en rechter-commissaris. Hierdoor wordt het belang van verzoekster niet geschaad omdat ook de WSNP binnen een vastgestelde termijn kan leiden tot een oplossing voor haar schulden.

De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot oordeel dat de ING Bank in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Het verzoek tot het dwangakkoord wordt afgewezen, en de rechtbank spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit.
 


In dit geval heeft de rechtbank bij de belangenafweging / omstandigheden van het geval gekeken naar de huidige situatie van verzoekster. Haar leeftijd èn de kans op een (aanvullende) baan met hogere inkomsten acht de rechtbank in deze zaak van belang. Hierbij speelt een rol dat binnen de WSNP er controle zal plaatsvinden op het nakomen van de inspanningsverplichting om een zo hoog mogelijk inkomen te genereren. Binnen de WSNP moeten iedere maand bewijstukken van gemiddeld vier sollicitaties worden overgelegd. Indien niet wordt voldaan aan deze verplichting kan de schuldsaneringsregeling worden beëindigd of verlengd. Er kunnen dus ook consequenties worden verbonden indien niet wordt voldaan aan de inspanningsverplichting om een fulltime baan te vinden. In het minnelijke traject is deze controle er niet of in mindere mate.
 
Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.

Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.


[1] Rechtbank Den Haag, 15-09-2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:12967
[2] Rechtbank Midden Nederland, 19-10-2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:5654