(Ex-)ondernemer en WSNP

Datum 13-12-2016
Bericht geschreven door: mr. P. (Peter) van Rossum, advocaat
De afgelopen periode heb ik een aantal uitspraken gezien waarbij (ex-)ondernemers een beroep hebben gedaan op de hardheidsclausule om toch toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (verder: WSNP). In mijn nieuwsbrief van maart 2016 heb ik ook een aantal uitspraken besproken waarbij dit speelde.
 
Nog even kort over de hardheidsclausule in zijn algemeenheid. Indien het verzoek tot toelating tot de WSNP afgewezen zou moeten worden, kan de verzoeker op grond van deze bepaling toch toegelaten worden. De hardheidsclausule geeft de rechter de mogelijkheid om verzoekers toe te laten tot de WSNP indien “voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen.” In de toelichting bij dit artikel worden vooral de omstandigheden genoemd waarbij de schuldenaar door psychosociale problemen of verslavingsproblematiek in de financiële problemen is geraakt. Vereist is dan dat de schuldenaar voldoende hulpverlening beschikbaar heeft en dat er sprake is van een stabiele leefsituatie.
 
Beroep op hardheidsclausule toegewezen
De eerste zaak betreft een uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarbij een weigering van een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt vernietigd[1].
 
In deze zaak heeft de schuldenaar een totale schuldenlast van € 161.325,80, waaronder een schuld uit 2011 van € 155.607,97. De rechtbank Overijssel heeft het verzoek om toegelaten te worden tot de WSNP afgewezen omdat volgens de rechtbank niet voldoende aannemelijk is dat de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn ontstaan. In dit oordeel is meegewogen dat het oplopen van de schuld aan een tweetal crediteuren tot ruim € 155.000,-- in ernstige mate moet worden verweten aan de schuldenaar.
 
Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis bekrachtigd bij arrest van 3 augustus 2015 omdat het Hof ook van oordeel was dat de schuldenaar onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schulden te goeder trouw zijn ontstaan dan wel onbetaald gelaten. Het Hof zag ook geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. “De door (schuldenaar) in dit verband aangevoerde argumenten – het staken van de onderneming en het aanvaarden van een dienstbetrekking in loondienst, het regelen van schuldhulpverlening en het voorkomen van nieuwe schulden – vormen zonder bijkomende feiten en omstandigheden (die niet zijn gesteld of gebleken) niet de ontwikkeling waarop de wetgever met artikel 288 lid 3 Fw het oog heeft gehad”.
 
De Hoge Raad heeft vervolgens bij arrest van 20 november 2015 het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en voor verdere behandeling naar het Hof ’s-Hertogenbosch verwezen. De Hoge Raad heeft dit gemotiveerd door te overwegen dat de omstandigheden die zijn aangevoerd door de schuldenaar, indien de juistheid daarvan komt vast te staan, niet uitsluiten dat de rechter de hardheidsclausule kan toepassen.
 
Het Hof ’s-Hertogenbosch heeft ten aanzien van het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule het volgende overwogen. Veruit het grootste deel van de schuld (ruim 96%) is ontstaan omdat schuldenaar na het plotselinge vertrek van zijn compagnon alleen heeft geprobeerd een woning te bouwen in opdracht van de grootste schuldeisers. Dit is niet gelukt. Schuldenaar heeft hieruit zijn conclusies getrokken en heeft de onderneming beëindigd. Het andere (relatief kleine) deel van de schuldenlast geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat deze schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan. Door het staken van de onderneming en het vinden van een baan in loondienst heeft de schuldenaar de belangrijkste oorzaak van het ontstaan van de schulden weggenomen. Daarnaast heeft de schuldenaar actief hulp gezocht en gekregen van schuldhulpverlening èn zijn er na het staken van de onderneming geen nieuwe schulden ontstaan. “Al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, duiden naar het oordeel van dit hof op een zekere gedragsontwikkeling en echte gedragsaspecten. Niet alleen de omstandigheden zijn immers gewijzigd, maar tevens het gedrag van (schuldenaar).”
 
Daarom acht het hof voldoende aannemelijk dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van de schulden onder controle heeft gekregen. Dat wil zeggen dat de schuldenaar ondanks dat hij niet voldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat de schulden te goeder trouw zijn ontstaan, het verzoek tot toelating tot de WSNP toch kan worden toegewezen.
 
Beroep op hardheidsclausule afgewezen
In de tweede zaak heeft het Gerechtshof Den Haag geen aanleiding gezien de hardheidsclausule toe te passen[2].
 
De rechtbank Rotterdam heeft in eerste instantie het verzoek tot omzetting van een op eigen aangifte uitgesproken faillissement in een WSNP afgewezen. De totale schuldenlast bedraagt € 1.227.526,30, en de rechtbank Rotterdam heeft het verzoek afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk is dat de schuldenaar te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan cq. onbetaald laten van zijn schulden in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het verzoek tot toelating tot de WSNP. De schuldenaar beroep zich nadrukkelijk op de hardheidsclausule: hij heeft een volledige baan, is niet van plan opnieuw een eigen onderneming te beginnen en zet zich volledig in om zoveel mogelijk baten voor de boedel te realiseren.
 
Het Hof begint weer met de algemene overweging over het te goeder trouw ontstaan van de schulden, waarbij in de beoordeling daarvan rekening kan worden gehouden met alle omstandigheden zoals de aard en omvang van de vorderingen, tijdstip van ontstaan van de vorderingen, mate van verwijtbaarheid en het gedrag van de schuldenaar wat betreft zijn inspanningen om de schulden te voldoen dan wel om verhaal te frustreren.
 
Het Hof overweegt op basis van de bekende stukken en het behandelde ter zitting als volgt. De schuldenaar is (middellijk) enig aandeelhouder en bestuurder van twee bedrijven, die beide failliet zijn verklaard. Via deze bedrijven heeft de schuldenaar gewerkt bij een ander bedrijf, waar hij is vertrokken in verband met onregelmatigheden in zijn declareergedrag. In verband hiermee is aan één zorgverzekeraar een bedrag van € 200.000,-- terugbetaald. Bij twee andere zorgverzekeraars staat nog een bedrag open van in totaal € 570.772,15. Deze schulden zijn naar oordeel van het Hof niet te goeder trouw ontstaan, en staan dus in de weg aan toelating tot de WSNP. Bewijzen voor de stellingen van de schuldenaar dat hij afspraken had gemaakt met de zorgverzekeraars over het afwijkend declareren ontbreken. Ook kan volgens het Hof niet worden gesproken van het fout in de administratie omdat bij drie afzonderlijke verzekeraars onjuist is gedeclareerd.
 
Bovendien blijkt uit de jaarrekeningen van 2010 dat de schuldenaar tot dat moment voor privédoeleinden ongeveer € 900.000,-- heeft onttrokken aan zijn bedrijven, waardoor deze bedrijven niet over een buffer beschikten om de terugvordering van de zorgverzekeraars terug te betalen. De schuldenaar heeft niet weersproken dat deze onttrekkingen hebben plaatsgevonden. Daarnaast is er ook nog sprake van drie leningen: een privé lening bij de ABN AMRO bank van ruim € 13.500,--, een rekening-courant schuld van ruim € 40.600,-- bij de ABN AMRO Bank en een schuld aan American Express van een kleine € 6.000,--. Naar het oordeel van het Hof duiden deze schulden op (forse) overbesteding en zijn dus niet te goeder trouw ontstaan.
 
De schuldenaar voert aan dat hij heeft geleerd van zijn fouten, in loondienst is en weet dat het ondernemerschap niet voor hem is weggelegd. Verder heeft hij een hoog inkomen waardoor hij maandelijks fors kan afdragen aan de boedel, en wil hij gezien de omvang van zijn schulden een looptijd van 5 jaar aanvaarden.
 
Het Hof is van oordeel dat de aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om een beroep op de hardheidsclausule toe te staan. “Daarbij laat het Hof ook de aard en de omvang van de schulden meewegen; de schulden zijn niet alleen ontstaan doordat de schuldenaar de administratie van zijn eigen bedrijven niet op een juiste wijze voerde of liet voeren, maar, naar aannemelijk lijkt, ook door fors overbestedingspatroon. Het Hof heeft onvoldoende aanknopingspunten voor de overtuiging dat zich op alle punten een gedragsverandering heeft voorgedaan.” Het vonnis van de rechtbank Rotterdam wordt bekrachtigd en de schuldenaar wordt niet toegelaten tot de WSNP.
 

Zoals ik al aangaf in mijn nieuwsbrief van maart dit jaar kun je een lijn ontdekken in de omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een ex-ondernemer die een beroep wenst te doen op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw. (staken onderneming, geen nieuwe schulden, baan in loondienst en oplossing vinden voor de schulden). Deze omstandigheden worden nu steeds meer ingekleurd, en met name door de focus op deze omstandigheden in het licht van een zekere gedragsontwikkeling.
 
 
Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.

Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.


[1] Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 08-09-2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4067
[2] Gerechtshof Den Haag, 02-02-2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2452