Ondernemers en WSNP: een aantal uitspraken

Datum 03-03-2016
Bericht geschreven door: mr. P. (Peter) van Rossum, advocaat
In deze nieuwsbrief bespreek ik een aantal uitspraken waarbij een beroep is gedaan op de hardheidsclausule zoals opgenomen in artikel 288 lid 3 Fw. Indien het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (verder: WSNP) afgewezen zou moeten worden omdat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan of omdat het schulden zijn die zijn ontstaan uit een strafrechtelijke veroordeling voor een misdrijf, kan de verzoeker op grond van deze bepaling toch toegelaten worden tot de WSNP.
 
Deze bepaling geeft de rechter de mogelijkheid (maar dus niet de verplichting) om verzoekers toe te laten tot de WSNP indien “voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen.” In de toelichting bij dit artikel worden vooral de omstandigheden genoemd waarbij de schuldenaar door psychosociale problemen of verslavingsproblematiek in de financiële problemen is geraakt. Vereist is dan dat de schuldenaar voldoende hulpverlening beschikbaar heeft en dat er sprake is van een stabiele leefsituatie.
 
In de afgelopen periode heb ik een aantal uitspraken gezien waarin een beroep werd gedaan op de hardheidsclausule waarbij het vooral ging om (ex-)ondernemers waarbij de schulden zijn ontstaan tijdens het voeren van de onderneming.
 
Beroep op hardheidsclausule in eerste instantie afgewezen
In deze zaak behandelde de Hoge Raad een kwestie waarbij een WSNP-verzoek van een ex-ondernemer die een beroep deed op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw door het hof Arnhem-Leeuwarden werd afgewezen[1].
 
Het hof overwoog dat artikel 288 lid 3 Fw aan de wet is toegevoegd met het oog op - in het bijzonder, maar niet uitsluitend – personen met verslavings- en/of psychosociale problemen die de omstandigheden die bepalend worden voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle hebben gekregen. Het hof vervolgt met de overweging dat indien een beroep op deze clausule wil slagen dan “in het algemeen is vereist dat de schuldenaar een zekere (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt die zich toont in het feit dat hij greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in de financiële problemen hebben gebracht.” De door de verzoeker aangevoerde argumenten (staken van de onderneming, aanvaarden van werk in loondienst, regelen van schuldhulpverlening en het voorkomen van het ontstaan van nieuwe schulden) vormen zonder bijkomende feiten en omstandigheden die niet zijn gesteld of gebleken niet de ontwikkeling waarop de wetgever met dit artikel het oog op heeft gehad, aldus het hof.
 
De Hoge Raad overweegt dat het hof in zijn arrest onvoldoende gemotiveerd heeft waarom bepaalde door het hof niet nader aangeduide “bijkomende feiten en omstandigheden” wel, maar de door verzoeker aangevoerde feiten niet kunnen leiden tot toepassing van artikel 288 lid 3 Fw. De Hoge Raad verwijst de zaak door naar het hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing.
  
Beroep op hardheidsclausule in deze zaak ook door de Hoge Raad verworpen
In deze zaak behandelde de Hoge Raad ook casus waarbij het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zowel door de rechtbank Noord Nederland als het hof Arnhem-Leeuwarden is afgewezen omdat niet voldoende aannemelijk was dat verzoeker te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan van de recente schulden[2]. Het hof heeft geoordeeld dat verzoeker lichtvaardig heeft gehandeld door bij zijn toetreding als vennoot tot de v.o.f. (een onderneming van zijn dochter) geen aandacht te besteden aan de cijfers en administratie van de onderneming. Het hof heeft een beroep van verzoeker op een taakverdeling van de werkzaamheden (verzoeker op de werkvloer en de dochter deed de financiële administratie) uitdrukkelijk verworpen. Deze taakverdeling neemt niet weg dat het op de weg van verzoeker had gelegen om voorafgaand aan zijn toetreding als vennoot zicht te krijgen in de schuldpositie van de onderneming, en om tijdens zijn periode als medevennoot zicht te houden op de financiële toestand van de onderneming.
 
De verzoeker betoogt verder nog onder andere dat het hof ten onrecht voorbij is gegaan aan het zowel impliciete als expliciete beroep op de hardheidsclausule: het hof had deze clausule ambtshalve moeten toepassen aldus de verzoeker. De Hoge Raad oordeelde dat de stellingen en verklaringen van verzoeker door het hof niet opgevat hoefde te worden als een beroep op de hardheidsclausule. De Hoge Raad gaat verder met de overweging dat uit deze stellingen niet blijkt dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan dan wel onbetaald laten van de schulden onder controle heeft gekregen. De Hoge Raad verwerpt het beroep van de verzoeker en verwerpt het cassatieberoep.
 
Beroep op hardheidsclausule toegewezen
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam twee schuldenaren toch toegelaten tot de WSNP door het beroep op de hardheidsclausule toe te wijzen [3]
 
Twee zussen zijn een kinderopvangbedrijf gestart, en hebben het management van het bedrijf overgelaten aan een vriend, later echtgenoot van een van hen. Het bedrijf (een v.o.f.) gaat na enkele jaren failliet. Zowel de rechtbank als het hof oordelen dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan en dat dit in beginsel in de weg staat aan de toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. In dit geval heeft het hof het beroep op de hardheidsclausule toegewezen.
 
Het hof heeft ten eerste overwogen dat een verzoek tot toelating tot de WSNP alleen wordt toegewezen als de schuldenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de schulden te goeder trouw zijn ontstaan. Vaststaat dat daarvan in dit geval geen sprake is: er zijn grote schulden ontstaan, weliswaar veroorzaakt door een derde maar dat doet hier niet aan af. Het hof merkt op dat de schuldenaar steeds zelf verantwoordelijk is gebleven voor haar onderneming.
 
Het hof vervolgt met de overweging dat er in dit geval gronden zijn om de hardheidsclausule toe te passen, omdat voldoende aannemelijk is geworden dat zij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van de schulden onder controle heeft gekregen. Hierbij speelt met name een rol dat de beide zussen overtuigend hebben verklaard nooit meer een onderneming te starten. Bovendien hebben ze beide voldoende afstand genomen van de vriend cq. echtgenoot die volgens het hof in ieder geval een rol van betekenis heeft gespeeld bij de totstandkoming van de problemen binnen de v.o.f.. Ook zijn de zussen bezig met het nemen van juridische stappen jegens de vriend, en hebben ze een baan in loondienst gevonden. “het hof acht deze omstandigheden voldoende bestendig om tot het oordeel te komen dat er sprake is van de door de wetgever bedoelde keer ten goede.” De beide zussen worden alsnog toegelaten tot de WSNP.
 
 
 
Het is derhalve geen verplichting van de rechter om bij een beroep op de hardheidsclausule de schuldenaar toe te laten tot de WSNP. Dit zal erg afhangen van de omstandigheden van het geval, zoals ook te zien is in de besproken zaken. Maar je kunt mijns inziens al wel een lijn ontdekken in de omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een ex-ondernemer bij een beroep op de hardheidsclausule: staken onderneming, voorkomen van nieuwe schulden, baan in loondienst en trachten een oplossing te vinden voor de schulden.
 
 
Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.

Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.


[1] Hoge Raad, 20-11-2015, ECLI:NL:HR:2015:3338
[2] Hoge Raad, 30-10-2015, ECLI:NL:HR:2015:3198
[3] Gerechtshof Amsterdam 25-11-2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5696