Ontslag op staande voet kan ook voorwaardelijk worden gegeven.

Datum 26-10-2012
Bericht geschreven door:
Op grond van artikel 7:677 lid 1 Burgerlijk Wetboek moet een door een werkgever gegeven ontslag op staande voet aan een aantal eisen voldoen. Er moet sprake zijn van een dringende reden voor het ontslag (1), het ontslag moet onverwijld worden gegeven (2) en de reden van het ontslag moet gelijktijdig aan de werknemer worden medegedeeld (3).  In art. 7:678 BW wordt een (niet limitatieve) opsomming gegeven van omstandigheden die een dringende reden voor ontslag op staande voet kunnen opleveren. Een rechter weegt altijd de persoonlijke omstandigheden van een werknemer mee om te bepalen of een ontslag op staande voet rechtsgeldig is.
 
Het is van belang dat de werkgever, nadat hij op de hoogte is van de dringende reden, het ontslag op staande voet onverwijld geeft. Dit, onder gelijktijdige mededeling van de reden aan de werknemer. De reden van het ontslag moet zodanig zijn dat van de werkgever niet verwacht kan worden dat hij de arbeidsovereenkomst met de werknemer ook maar een dag langer in stand houdt. Door ‘onverwijld’ te ontslaan, maakt de werkgever duidelijk dat dit het geval is. Uit de jurisprudentie is op te maken dat er regelmatig wordt geprocedeerd over de vraag of een ontslag op staande voet wel of niet onverwijld is gegeven. Of een ontslag door de werkgever onverwijld is gegeven hangt af van verschillende omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de duur van een noodzakelijk onderzoek naar de feiten en omstandigheden.
 
In een geval dat speelde voor het Gerechtshof Leeuwarden, heeft de rechter zich uitgelaten over de vraag of na een gegeven ontslag op staande voet een werkgever, op grond van nieuwe feiten en omstandigheden die hem na dat ontslag bekend zijn geworden, de werknemer nogmaals (voorwaardelijk) op staande voet mag ontslaan
 
In bedoelde zaak ging het om een werknemer die sinds 1973 bij een notariskantoor werkzaam was in de functie van boekhouder. Op 1 februari 2008 heeft de werkgever de werknemer op staande voet ontslagen, onder andere omdat de werknemer niet aan bepaalde betalingsopdrachten had voldaan. Op 21 februari 2008 heeft de werkgever de werknemer nogmaals op staande voet ontslagen. Dit omdat de werkgever (na het eerste ontslag) heeft ontdekt dat de werknemer zonder toestemming € 20.000,00 had overgeboekt van de kwaliteitsrekening van de werkgever naar de kantoorrekening.
 
De kantonrechter oordeelde in eerste aanleg dat het voorwaardelijk op 21 februari 2008 gegeven ontslag rechtsgeldig was. Het hof is het hier niet mee eens en vernietigd het vonnis van de kantonrechter omdat het hof van mening is dat de werkgever bij het ontslag op staande voet onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Wel is het hof van mening dat een voorwaardelijk ontslag op staande voet in dit geval mogelijk is, omdat er sprake is van andere feiten/gedragingen dan die aan het eerste ontslag ten grondslag zijn gelegd en deze feiten de werkgever pas na het eerste ontslag bekend zijn geworden.
 
Let op! Het tweede ontslag op staande voet moet op zichzelf dus weer aan alle in art. 7:677 BW gestelde eisen voldoen. Voorts moet er, zoals bij elk ontslag op staande voet, acht worden geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de werknemer.