Per 1 januari 2013 bodem(voor)recht fiscus versterkt

Datum 11-06-2013
Bericht geschreven door:
Sinds 1 januari 2013 is de Invorderingswet 1990, door toevoeging van artikel 22bis, voorzien van een versterking van het bodemrecht van de fiscus. Deze maatregel zou de staat € 100.000.000,00 moeten opleveren. Echter gaat dit ten koste van de rechten van kredietverstrekkers (pandhouders), leveranciers met een eigendomsvoorbehoud en financial leasemaatschappijen.
 
De fiscus heeft reeds geruime tijd vergaande bevoegdheden wat betreft de invordering van belastingschulden. Op zaken welke zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden, heeft de fiscus voor bepaalde zakelijke belastingen, zoals omzetbelasting en loonbelasting, een verhaalsrecht. In verband hiermee wordt daarom gesproken over het bodemrecht van de fiscus.
 
Ingevolge artikel 22 van de Invorderingswet 1990 dient het te gaan om inventariszaken die bedoeld zijn om zich blijvend op de bodem van de belastingschuldige te bevinden (bijvoorbeeld tafels, stoelen, servers, machines, computers ed.). Dit verhaalsrecht gaat boven rechten van derden op dergelijke zaken, ook indien zulke derden een eigendomsrecht op een zaak hebben waar tevens een zekerheidselement aan zit.  Het verhaalsrecht gaat echter niet boven reële eigendom van een derde.
 
Tevens heeft de fiscus ingevolge artikel 21 lid 2 van de Invorderingswet 1990 een voorrecht op de goederen van de belastingschuldige die zich op de bodem bevinden. Het bodemvoorrecht gaat vóór de pandhouder  (vaak een bank) die een pandrecht heeft op roerende zaken, terwijl deze zaken nog in bezit van de pandgever (vaak een leningnemer) zijn; er wordt dan gesproken over een bezitloos pandrecht. Zaken als een vuistpand en hypotheek gaan echter voor het voorrecht van de fiscus.
 
Al jaren wordt er discussie gevoerd of de bevoegdheden van de fiscus niet te ver gaan. De overheid achtte deze bevoegdheden juist ontoereikend omdat pandhouders en leveranciers met een eigendomsvoorbehoud de fiscus al meer dan eens te snel af waren. Want wanneer de zaken van de bodem van de belastingschuldige verwijderd zijn, is het bodem(voor)recht van de fiscus niet meer geldig. Houders van een bezitloos pandrecht zetten hun recht snel om in een vuistpandrecht zodra hun pandgever in de problemen dreigde te komen, en leveranciers haalden, voordat de fiscus aanklopte, hun onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken weg.
 
Door middel van de toevoeging van artikel 22bis aan de Invorderingswet 1990 zullen aan voormelde praktijken een einde komen, als het aan de overheid ligt. Dit artikel schrijft namelijk voor dat houders van pandrechten en derden die recht hebben op een bodemzaak verplicht zijn om hun voornemen ten aanzien van de bodemzaak hun rechten uit te oefenen, aan de fiscus kenbaar te maken. Gedurende een termijn van vier weken na deze mededeling aan de fiscus mag de pandhouder of een derde zijn rechten op de bodemzaak niet uitoefenen. De pandhouder of derde kan pas overgaan tot uitoefening van zijn rechten als de ontvanger heeft laten weten geen gebruik te zullen maken van zijn bodem(voor)recht, ofwel niets van zich heeft laten horen. Hierdoor kan de fiscus ongestoord gebruik maken van zijn bodem(voor)recht. Artikel 22bis voorziet in geval van overtreding door de pandhouder of derde in sancties welke in de praktijk zullen neerkomen op dat de executiewaarde van de bodemzaak aan de fiscus vergoed dient te worden.
 
De gevolgen van deze wetswijziging zijn verstrekkend. De positie van de pandhouders, financial leasemaatschappijen en leveranciers met een eigendomsvoorbehoud verslechtert enorm. De voorsprong die zij eerder ontleenden aan snel en adequaat optreden, wordt met de wetswijziging teniet gedaan.  Zeker wanneer de belangrijkste activa van de leningnemer bestaan uit bodemzaken, zal naar verwachting het verkrijgen van krediet hierdoor worden bemoeilijkt.