Piloten en schuldsaneringsregeling / dwangakkoord

Datum 19-10-2016
Bericht geschreven door: mr. P. (Peter) van Rossum, advocaat
De afgelopen periode heb ik een aantal uitspraken gezien waarbij piloten een beroep hebben gedaan op de schuldsaneringsregeling dan wel de rechtbank hebben verzocht een dwangakkoord toe te wijzen. Hieronder zal ik drie van deze uitspraken bespreken.
 
De eerste zaak betreft een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland waarbij een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen[1]. De verzoekers hebben een gezamenlijke schuld aan de ABN AMRO Bank NV ter hoogte van € 298.582,93, betreffende twee leningen voor de financiering van de pilotenopleidingen van hen beide.
 
De verzoekers hebben geen werk kunnen vinden als piloot na het afronden van de opleiding, en volgens verzoekers is de kans dat zij een baan vinden als piloot vrijwel nihil omdat er inmiddels veel tijd is verstreken na het afronden van de pilotenopleiding. Verzoekers zijn nog wel bereid om in overleg te treden met de ABN AMRO Bank over het aflossen van de schuld, maar er moet dan wel rekening worden gehouden met de huidige financiële situatie. Ook de ABN AMRO Bank is bereid om in overleg te treden met de verzoekers om een passende regeling af te spreken.
 
De rechtbank overweegt dat er derhalve nog steeds de mogelijkheid is dat er voor zowel de bank als de verzoekers een acceptabele regeling wordt afgesproken. Het is dan ook (nog) niet te voorzien dat verzoekers niet zullen kunnen voortgaan met het betalen van de schulden, ook omdat er naast de schuld aan de ABN AMRO Bank geen andere schulden zijn ontstaan. De rechtbank wijst de verzoeken af, en overweegt daarbij dat indien na heropende onderhandelingen met de ABN AMRO Bank mocht blijken dat er geen acceptabele regeling kan worden afgesproken, verzoekers opnieuw een verzoek kunnen indienen tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
 
In een tweede zaak van de rechtbank Noord-Holland is een dwangakkoord afgewezen[2]. De verzoeker heeft een totale schuldenlast van € 153.258,93 aan twee schuldeisers. De ABN AMRO Bank heeft een totale vordering op verzoeker van € 146.038,93. Verzoeker heeft een regeling aangeboden waarbij 10,93% tegen finale kwijting wordt voldaan, waarbij in de berekening van het beschikbare bedrag is uitgegaan van een termijn van 60 maanden in plaats van de gebruikelijke 36 maanden. Alleen de ABN AMRO Bank heeft het voorstel afgewezen. Als reden van de afwijzing geeft de ABN AMRO Bank aan dat zij een offerte voor de herstructurering van de financiering heeft opgestuurd maar dat verzoeker daar nog niet op heeft gereageerd.
 
Bij de beoordeling of de ABN AMRO Bank in redelijkheid tot weigering kan komen moet worden gekeken naar de inhoud van het akkoord. Het aanbod van 10,93% moet in principe worden vergeleken met de situatie dat op verzoeker de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard. De rechtbank overweegt dat verzoeker op dit moment een inkomen heeft van € 1.685,-- netto per maand, alsmede dat in het wettelijke traject het aannemelijk is dat de schuldeisers een lagere uitkering zullen ontvangen. Verder stelt de rechtbank vast dat de vordering van de ABN AMRO Bank 95% van de totale schuldenlast vertegenwoordigt en dat de andere schuldeiser wel akkoord is gegaan. Voorts acht de rechtbank van belang dat de verzoeker wel heeft onderhandeld met de ABN AMRO Bank maar dat er geen overeenstemming is bereikt. ABN AMRO is van mening dat voor aflossing van de lening een bedrag van € 402,-- per maand beschikbaar is, en dat een salarisstijging in de komende jaren mogelijk moet zijn. Verzoeker heeft in een gesprek met de bank aangegeven dat hij voor zichzelf een groeipotentie ziet bij zijn huidige werkgever en bij goed functioneren binnen een jaar of vijf mogelijk projectleider zou kunnen worden.
 
Volgens de advocaat van verzoeker kan er maximaal € 108,-- per maand worden voldaan, en valt er met de bank niet te praten over een lager bedrag dan het voorstel van de bank (€ 402,-- per maand). Bovendien is het voorstel van de bank geen definitieve oplossing: het betreft een aanbod voor één jaar, en na deze periode zal verder worden gekeken.
 
De rechtbank overweegt dat verzoeker niet bereid is gebleken om een regeling voor een jaar te sluiten en dan verder te kijken om op deze manier rekening te houden met toekomstige inkomensontwikkeling. Ook is gebleken dat verzoeker de door de ABN AMRO Bank voorgestelde termijn van 20 jaar voor de aflossing van de lening onredelijk en onhaalbaar vindt. Door deze houding heeft verzoeker de deur naar verdere onderhandelingen gesloten. Van verzoeker mag gezien zijn jonge leeftijd en toekomstperspectief worden gevergd dat hij een regeling overeenkomt die jaarlijks wordt herzien. De rechtbank is er (nog) niet van overtuigd dat een dergelijke regeling die rekening houdt met de lasten van verzoeker niet alsnog tot stand zou kunnen komen. Verder overweegt de rechtbank dat uit de stukken blijkt dat als verzoeker een baan als piloot had gevonden hij twaalf jaar nodig zou hebben om de lening af te lossen, en dat daarom van verzoeker kan worden gevergd dat hij een langere periode aanhoudt dan de voorgestelde vijf jaar.
 
De rechtbank overweegt dat gezien de geschetste omstandigheden niet kan worden gezegd dat de ABN AMRO in redelijkheid niet tot weigering van instemming van de schuldregeling heeft kunnen komen. Het verzoek om ABN AMRO Bank te bevelen om in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom afgewezen.
 
Dit is weer een mooie aanvulling op mijn eerdere nieuwsbrieven van april en juni 2016 over het dwangakkoord.
 
In een derde zaak van de rechtbank Midden-Nederland is de verzoeker wel toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling[3]. In deze zaak heeft de schuldenaar één schuld, en wel bij de ABN AMRO Bank voor een bedrag ter hoogte van € 189.500,-- betreffende een geldlening met een looptijd van 20 jaar. De lening is aangegaan om een pilotenopleiding te volgen.

De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat verzoeker een omvangrijke schuld is aangegaan die hij zoals het nu lijkt niet kan terugbetalen niet van doorslaggevende betekenis is. Bij de beoordeling of er sprake is van een uitzichtloze financiële situatie spelen alle omstandigheden van het geval een rol. “Van belang is wat redelijkerwijs de verwachting van verzoeker was ten tijde van het aangaan van de schuld en welke omstandigheden vervolgens van invloed zijn geweest op het niet uitkomen van deze verwachting. Indien de onvoorziene omstandigheden van dien aard zijn dat de schuldeiser in redelijkheid ongewijzigde instandhouding van de geldlening niet mag verwachten, is vervolgens van belang welke inspanningen beide partijen over en weer hebben verricht om de aan de schuld verbonden voorwaarden te wijzigen. Daarbij geldt dat verslechterende marktomstandigheden, waardoor verzoeker niet in staat blijkt de lening terug te betalen, in beginsel voor zijn eigen rekening moeten blijven.”

Verzoeker heeft een netto inkomen van € 1.500,-- per maand, en betaalt maandelijks € 900,-- aan rente. Vanaf 2011 is al € 40.000,-- aan rente voldaan. Verzoeker heeft vanaf 2014 verschillende gesprekken gevoerd met de ABN AMRO Bank, en heeft een prognoseaanbod gedaan waarbij gedurende 10 jaar (tot 2026) zijn inkomsten worden gebruikt om de lening af te lossen. Bij het aangaan van de lening was de verwachting dat de lening binnen 10 jaar zou zijn terugbetaald: in 2021 zou verzoeker dan schuldenvrij zijn. De bank heeft dit aanbod afgewezen, en vervolgens heeft verzoeker met behulp van familie een bedrag ineens aangeboden ter hoogte van € 52.200,--. Ook dit aanbod is afgewezen. De ABN AMRO Bank heeft wel een aantal tegenvoorstellen gedaan maar deze betroffen geen definitieve regeling.

De reactie van de ABN AMRO Bank doet geen recht aan het feit dat de vliegbevoegdheid van verzoeker zal komen te vervallen indien er niet nog meer geld wordt geïnvesteerd, aldus de rechtbank. Gezien het vorenstaande ziet verzoeker geen andere mogelijkheid meer om zijn schuld terug te betalen. De rechtbank concludeert dat er een problematische schuldensituatie is ontstaan, alsmede dat er geen grond voor afwijzing is en spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van verzoeker.
 

Ik neem aan dat de rechtbank Midden Nederland met deze laatste alinea heeft bedoeld dat door de huidige financiële situatie van verzoeker er geen geld meer is om verder te investeren in het behouden van de vliegbevoegdheid, waarvoor er minder inkomen kan worden gegenereerd en de lening dus niet onder dezelfde voorwaarden kan worden afgelost. Dat kan ik dan weer niet helemaal plaatsen in het licht van de overweging van de rechtbank dat verslechterende marktomstandigheden in beginsel voor rekening van de verzoeker moeten blijven. Dus ik vraag mij af welke achterliggende omstandigheden hier nog meespelen in de beslissing om de verzoeker toch toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, als je het vergelijkt met de eerste uitspraak in deze nieuwsbrief van de rechtbank Noord-Holland waarbij een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen. Wellicht speelt hier een rol dat verzoeker al meerdere concrete voorstellen heeft gedaan, en in de zaak die de rechtbank Noord-Holland behandelde dit niet het geval was. Dat blijkt in ieder geval niet uit de uitspraak.
 

Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.

Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.


[1] Rechtbank Noord-Holland, 01-09-2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:7349
[2] Rechtbank Noord-Holland, 24-08-2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:7199
[3] Rechtbank Midden-Nederland, 05-04-2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:1935