Prijsgeld loterij en faillissement: valt een gewonnen prijs in de boedel van het faillissement?

Datum 28-07-2016
Bericht geschreven door: mr. P. (Peter) van Rossum, advocaat
De rechtbank Oost-Brabant heeft in een uitspraak van 29 juni 2016 een zaak behandeld waarbij de echtgenote een prijs heeft gewonnen en de curator stelt dat dit prijsgeld in de boedel van het faillissement van de man valt[1].
 
In deze zaak zijn de feiten kort samengevat als volgt:
  • Het betreft een huwelijk onder huwelijke voorwaarden.
  • Sinds februari 2014 speelt de vrouw mee in de Nationale Postcode Loterij met twee loten per maand à € 12,50 per stuk. De kosten worden maandelijks afgeschreven van de rekening die op naam staat van de vrouw.
  • De man is bij vonnis van 1 april 2014 failliet verklaard. Ten gevolge van het faillissement zijn de bankrekeningen op naam van de man alsmede de en/of rekening geblokkeerd.
  • Vanaf het faillissement is de man gebruik gaan maken van de rekening van de vrouw: vanaf die datum worden zowel het loon van de man als het loon van de vrouw op deze rekening gestort.
  • In juni 2014 is wel de en/of rekening op verzoek van de man gedeblokkeerd. De toeslagen die op de en/of rekening werden gestort zijn vervolgens steeds doorgestort op de rekening van de vrouw.
  • Op 4 februari 2015 is de straatprijs gevallen op de loten van de vrouw, waarmee een prijs van € 50.000,- is gewonnen. Na aftrek van de kansspelbelasting resteert een bedrag van € 35.500,-- aan prijsgeld.
De curator vordert een verklaring voor recht dat het prijsgeld in de boedel valt alsmede de vrouw te gedogen dat het prijsgeld volledig wordt overgemaakt op de boedelrekening.
 
Van belang is artikel 61 lid 1 Fw: “De echtgenoot of geregistreerd partner van de gefailleerde neemt alle goederen die hem toebehoren en niet in de huwelijksgemeenschap onderscheidenlijk de gemeenschap van het geregistreerd partnerschap vallen, terug.” Het vierde lid van dit artikel bepaalt verder dat “De goederen, voortgesproten uit de belegging of wederbelegging van gelden aan de echtgenoot of geregistreerd partner van de gefailleerde buiten de gemeenschap toebehorende, worden insgelijks door die echtgenoot onderscheidenlijk geregistreerd partner teruggenomen, mits de belegging of wederbelegging, in geval van geschil, door voldoende bescheiden, ten genoegen van de rechter, zij bewezen. Op de belegging of wederbelegging is artikel 95, eerste lid, eerste volzin, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.”
 
De rechtbank Oost-Brabant overweegt dat deze bepalingen ook van toepassing zijn indien de echtgenoten buiten iedere gemeenschap van goederen zijn gehuwd.
 
Verder is in deze zaak nog van belang dat in artikel 95 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt bepaald dat een goed dat een echtgenoot anders dan om niet verkrijgt buiten de gemeenschap blijft indien de tegenprestatie bij de verkrijging van dit goed voor meer dan de helft ten laste komt van zijn eigen vermogen.
 
De rechtbank overweegt dat uit artikel 61 Fw kan worden afgeleid dat in beginsel alle goederen op naam van de man en de vrouw in het faillissement van de man vallen. Dat geldt op grond van artikel 20 Fw voor zowel de zaken die in het vermogen van de echtgenoten vallen ten tijde van de faillietverklaring, als voor alles wat gedurende het faillissement wordt verworven. Echter, de vrouw kan uit het faillissement terugnemen 1) de goederen die aan haar toebehoren onder de voorwaarden van artikel 61 lid 1 Fw, en 2) de goederen die zijn voortgesproten uit belegging van gelden van de vrouw onder de voorwaarden van artikel 61 lid 4 Fw.
 
De curator stelt zich op het standpunt dat het prijsgeld moet worden aangemerkt als een goed voortgesproten uit de beleggingen van gelden, en dat de vrouw niet kan aantonen dat het geld waarmee de loten zijn gekocht aan de vrouw toebehoorde. Daarom valt het prijsgeld volgens de curator op grond van de hoofdregel van artikel 61 Fw in het faillissement van de man.
 
De vrouw stelt dat niet het vierde lid van artikel 61 Fw van toepassing is, maar dat aan de hand van het eerste lid van dit artikel moet worden beoordeeld of het prijsgeld in het faillissement valt, omdat de aankoop van een lot volgens de vrouw geen belegging is.
 
De rechtbank overweegt dat artikel 61 lid 4 Fw wel van toepassing is omdat de aankoop van een lot kan worden gezien als de belegging van gelden, en de geldprijs voortgesproten is uit deze belegging.
 
De vrouw heeft aangevoerd dat indien artikel 61 lid 4 Fw wel van toepassing is zij het gewonnen prijsgeld kan terugnemen uit het faillissement. Omdat de curator dit betwist is het aan de vrouw om te bewijzen dat het prijsgeld aan haar toebehoort. Daarvoor zal zij moeten bewijzen dat zij de eigendom van de goederen heeft verkregen alsmede dat zij de goederen voor meer dan de helft met eigen middelen heeft gefinancierd.
 
De rechtbank gaat eerst in op de vraag of de vrouw de aankoop van de loten voor meer dan de helft met eigen middelen heeft gefinancierd. Volgens de vrouw blijkt dit uit het feit dat de loten zijn betaald van de rekening die op haar naam staat. Al voor het faillissement kocht de vrouw de loten en betaalde zij deze vanaf haar eigen rekening. Met het salaris van de vrouw kan zij het geld voor de loten ook zelfstandig voldoen. Dat de man na zijn faillissement ook gebruik maakte van de rekening van de vrouw is volgens de  vrouw niet relevant omdat zij niet in gemeenschap van goederen zijn gehuwd.
 
De rechtbank volgt de stelling van de vrouw niet. De rechtbank overweegt dat de tenaamstelling van een bankrekening aangeeft wie ten opzichte van de bank gerechtigd is om over een saldo te beschikken, maar dat dit niet bepaalt wie in onderliggende verhoudingen tot het saldo is gerechtigd. Dat de rekening op naam staat van de vrouw brengt dus niet automatisch met zich mee dat het geld op de rekening volledig aan haar toekomt en dat van de goederen die met dit geld zijn gekocht ook kan worden gezegd dat deze met haar middelen zijn betaald. De rechtbank overweegt dat beoordeeld moet worden of de loten waarmee de prijs is gewonnen door de vrouw voor meer dan de helft met eigen middelen zijn voldaan.
 
De rechtbank gaat verder met de overweging dat na het faillissement van de man zowel het salaris van de man als het salaris van de vrouw op de rekening van de vrouw werd gestort. Vanaf dat moment was het de enige rekening die door de echtgenoten werd gebruikt. Ten gevolge hiervan is vermenging opgetreden en dat een gemeenschap moet worden aangenomen waartoe de man en de vrouw zijn gerechtigd overeenkomstig hun aandeel in het tegoed. Voor het bepalen van het aandeel van de vrouw in dit tegoed is van belang wat het saldo van de rekening was toen de vrouw en de man de rekening gezamenlijk gingen gebruiken en met welke bedragen zij de rekening vanaf dat moment hebben gevoed. Derhalve kan volgens de rechtbank het aandeel van de vrouw niet worden vastgesteld aan de hand van de laatste stortingen zonder naar de eerdere mutaties te kijken. “Het is bij gezamenlijk gebruik van een rekening niet zo dat degene die als laatste heeft gestort, een vervolgens met geld van die rekening gekocht goed ook voor meer dan de helft uit eigen middelen heeft betaald.”
 
De vrouw dient aan te tonen “dat zij vanaf het moment van gezamenlijk gebruik meer op de rekening heeft ingebracht dan de man om aan te nemen dat zij de loten voor meer dan de helft met eigen middelen heeft betaald.“
 
De vrouw heeft geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt. Verder heeft de curator verwezen naar de maandelijkse informatiebladen en loonstroken die door de man bij haar zijn aangeleverd en heeft op grond van deze stukken aangevoerd dat een groter deel van het saldo afkomstig was uit de middelen van de man. De vrouw heeft niet betwist dat deze informatie juist is. Ook heeft de vrouw niet aangevoerd dat er andere stortingen op deze rekening hebben plaatsgevonden die moeten worden aangemerkt als haar eigen middelen.
 
De rechtbank concludeert dat de vrouw er niet in is geslaagd om met voldoende bescheiden aan te tonen dat het prijsgeld moet worden aangemerkt als een goed dat is voortgesproten uit de belegging van aan haar toebehorende gelden. Omdat dit een dwingende voorwaarde is om de goederen terug te kunnen nemen uit het faillissement, moet worden aangenomen dat het prijsgeld in het faillissement van de man valt. De rechtbank wijst de vordering van de curator toe.
 
 
Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.
 
Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.


[1] Rechtbank Oost-Brabant, 29-6-2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:3386