Schorst tweede WSNP-verzoek behandeling van een faillissementsverzoek?

Datum 26-07-2017
Bericht geschreven door: mr. P. (Peter) van Rossum, advocaat
In artikel 3 Faillissementswet wordt bepaald dat indien een faillissementsverzoek wordt ingediend ten aanzien van een natuurlijk persoon, de griffier deze persoon bij brief kenbaar maakt dat hij binnen 14 dagen na de dag van verzending van deze brief een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (verder: WSNP-verzoek) kan indienen. Artikel 3a lid 2 van de Faillissementswet bepaalt dat de behandeling van het faillissementsverzoek wordt geschorst totdat bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist op het WSNP-verzoek. Deze artikelen strekken ertoe dat zoveel mogelijk wordt tegengegaan dat een natuurlijk persoon failliet gaat.

Het verloop van de feiten in deze zaak[1] is als volgt:
  • op 18 augustus 2015 heeft X een verzoekschrift tot faillietverklaring van Y bij de rechtbank ingediend;
  • op 11 september 2015 heeft Y een verzoek tot toelating tot de WSNP bij de rechtbank ingediend. De rechtbank heeft op grond van artikel 3a lid 2 Fw de behandeling van het faillissementsverzoek geschorst;
  • op 22 december 2015 heeft de rechtbank Y niet-ontvankelijk verklaard in zijn WSNP-verzoek omdat er geen minnelijk traject is geweest;
  • bij arrest van 3 maart 2016 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd, maar vervolgens het WSNP-verzoek afgewezen omdat niet aannemelijk is geworden dat Y ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het WSNP-verzoek te goeder trouw is geweest.
  • Het cassatieberoep tegen het arrest van het Hof is verworpen bij arrest van 8 juli 2016.
  • Y heeft op 21 juni 2016 opnieuw een WSNP-verzoek ingediend.
  • De rechtbank heeft het betoog van Y dat dit tweede verzoek de behandeling van het faillissementsverzoek opnieuw schorst verworpen en het verzoek tot faillietverklaring toegewezen.
De Hoge Raad overweegt dat “gelet op de (…) strekking van de artikelen 3 en 3a Fw en bij gebreke van een aanwijzing in de wet of wetsgeschiedenis voor het tegendeel, moet worden aangenomen dat het voorschrift van artikel 3a Fw ook van toepassing is bij een herhaald WSNP-verzoek indien het eerdere verzoek niet tot toewijzing heeft geleid en de (eventueel hervatte) behandeling van het faillissementsverzoek nog niet is gesloten.” De rechtbank zal dan ook bij een herhaald verzoek in principe de behandeling van het faillissementsverzoek moeten schorsen totdat op dit verzoek is beslist bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak.

“De rechter kan echter afzien van schorsing indien hij tot oordeel komt dat de schuldenaar misbruik maakt van zijn bevoegdheid (nogmaals) een WSNP-verzoek in te dienen (artikel 3:13 BW jo artikel 3:15 BW). Daarvan zal onder meer sprake kunnen zijn indien het (herhaalde) WSNP-verzoek wordt ingediend met geen ander doel om de behandeling van het faillissementsverzoek te vertragen, of indien de betrokkene, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen zijn belang bij indiening van een (nieuw) WSNP-verzoek en dat van de indiener(s) van het faillissementsverzoek bij voortvarende behandeling daarvan, in redelijkheid niet tot de indiening van het (tweede) verzoek had kunnen komen.”

De Hoge Raad komt na deze overwegingen tot de conclusie dat het oordeel van het hof dat de indiening van het tweede WSNP-verzoek in beginsel niet ertoe behoort te leiden dat de behandeling van het faillissementsverzoek in eerste aanleg geschorst blijft of wederom wordt geschorst totdat ook op het tweede verzoek is beslist, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

Of er in dit geval sprake is van misbruik van bevoegdheid door opnieuw een WSNP-verzoek in te dienen blijft onduidelijk: de Hoge Raad heeft het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en het geding verwezen naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.

De Hoge Raad geeft in het arrest nog wel een aantal voorbeelden op grond waarvan de rechter kan aannemen dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid:
  • het indienen van een nieuw WSNP-verzoek zonder aanvoering van nieuwe omstandigheden;
  • voert de schuldenaar wel nieuwe omstandigheden aan dan kan van belang zijn of deze omstandigheden al bij het eerdere WSNP-verzoek aangevoerd hadden kunnen worden;
  • op welke grond is het eerdere WSNP-verzoek afgewezen?
  • Hoe lang heeft de schorsing van het faillissementsverzoek al geduurd?
  • De omstandigheid dat de schuldenaar treuzelt met het verschaffen van de relevante informatie bij de behandeling van het nieuwe WSNP-verzoek.
 
In eerste instantie was mijn reactie: vreemd dan kun je dus op deze manier de behandeling van een faillissementsverzoek blijven uitstellen. Maar dat ligt na lezing van het arrest toch wat genuanceerder, zoals vaak het geval. Het hof heeft artikel 3a Fw onjuist uitgelegd gezien de strekking van dit artikel. Wellicht is er toch sprake van misbruik van bevoegdheid, maar het hof is daar niet op in gegaan. De Hoge Raad beoordeelt of de feitenrechter het recht goed heeft uitgelegd en toegepast, en kijkt niet inhoudelijk naar de zaak. In dit geval heeft het hof artikel 3a lid 2 Fw niet goed toegepast.
 

Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.

Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.
 

[1] Hoge Raad, 09-06-2017, ECLI:NL:HR:2017:1064