Schulden niet ter goeder trouw: te lang door met onderneming

Datum 09-09-2014
Bericht geschreven door:
Het gerechtshof Amsterdam heeft in de uitspraak van 11 februari 2014[1] een schuldsaneringsregeling afgewezen omdat de schuldenaren te lang zijn doorgegaan met de onderneming. De schulden zijn daarom niet te goeder trouw ontstaan.
 
In deze zaak zijn de schuldenaren in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Noord Holland waarbij de verzoeken tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zijn afgewezen.
 
Op 22 mei 2012 is het faillissement uitgesproken ten aanzien van een vennootschap onder firma en de beide vennoten (de schuldenaren). De faillissementen van de vennootschap onder firma en de beide vennoten zijn bij beschikkingen van 22 oktober 2013 opgeheven bij gebrek aan baten. Uit een overzicht van schuldeisers zoals opgesteld door de curator in de faillissementen blijkt dat de schuldenlast € 739.145,23 bedraagt waaronder een schuld aan de belastingdienst van € 198.016,-- en € 7.209,-- en aan het Pensioenfonds vervoer van € 100.097,37 en € 1.853,17.
 
De schuldenaren betwisten dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan en voeren aan dat een ongelukkige samenloop van omstandigheden het einde van hun bedrijf heeft betekend. Het zou gaan om onder meer de volgende omstandigheden: het opstellen van een betalingsregeling met de belastingdienst waardoor er een liquiditeitstekort ontstond, een afdeling van het bedrijf was zwaar verlieslatend en is afgestoten begin 2012, vervolgens werden 7 van de 15 werknemers arbeidsongeschikt. Aangezien er geen verzuimverzekering was afgesloten kwamen de kosten voor rekening van de werkgever. De schuldenaren geven ook nog aan dat zij zich enkele maanden geen salaris hebben laten uitbetalen zodat ze aan de betalingsverplichtingen konden voldoen.
 
In artikel 288 lid 1 onder b is bepaald dat een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling alleen wordt toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
 
Het Hof overweegt in dit kader dat de schuld aan de belastingdienst en het pensioenfonds zijn ontstaan door het niet nakomen van de verplichting tot afdracht van de loonheffing en de pensioenpremie. Als vennoten waren de schuldenaren verantwoordelijk voor het doen van de afdrachten. Het Hof overweegt verder dat de loonheffingen al vanaf maart 2010 (dus ruim 2 jaar voor het faillissement – JH) niet meer werden voldaan. Daaruit kan volgens het Hof worden geconcludeerd dat de onderneming kennelijk geen enkele financiële reserve meer had. Voorts constateerden de schuldenaren in november 2011 dat er sprake was van een maandelijks exploitatietekort van € 30.000,-/€ 40.000,-. Het Hof overweegt dat op dat moment het bedrijf had moeten worden beëindigd alsmede hadden de schuldenaren het faillissement van het bedrijf moeten aanvragen, “dan wel maatregelen moeten nemen waarvan met een voldoende mate van zekerheid kon worden voorspeld dat deze zouden leiden tot een financieel gezonde onderneming”. Het Hof overweegt dat onvoldoende is gebleken van het vorenstaande: de schuldenaren hebben slechts aangegeven dat de werkzaamheden in een bepaald onderdeel van het bedrijf zijn afgebouwd. Echter, de schuldenaren hebben niet inzichtelijk gemaakt dat het voortzetten van het bedrijf zou leiden tot een positief resultaat.

Het Hof overweegt dat door het voortzetten van het bedrijf, het structureel achterwege laten van afdrachten aan de belastingdienst en het pensioenfonds en het laten voortduren van deze situatie tot het faillissement van 22 mei 2012 (aangevraagd door het pensioenfonds) de schuldenaren de schulden onnodig hebben laten oplopen en onvoldoende blijk hebben gegeven van hun verantwoordelijkheid als ondernemer. “In dit licht bezien moet worden geoordeeld dat zij onverantwoord hebben gehandeld, met name nu niet aannemelijk is geworden dat zij in de gegeven omstandigheden een nieuw krediet hadden verkregen ten behoeve van de continuering van de onderneming.” Ook de curator heeft verklaard dat de schuldenaren te lang zijn doorgegaan met de onderneming.
 
Dit alles in overweging nemende oordeelde het Hof dat de schuldenaren niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan van de genoemde schulden.
 
Twijfelt u of u de activiteiten van uw onderneming voort moet zetten? Laat u dan goed adviseren over de te nemen stappen. U kunt hiervoor contact opnemen met mr. P. van Rossum.
 
Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.
 
Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.


[1] Gerechtshof Amsterdam, 11-02-2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1926