Schuldsaneringsregeling en dwangakkoord

Datum 14-05-2013
Bericht geschreven door: mr. P. (Peter) van Rossum, advocaat
Schuldsaneringsregeling en dwangakkoord

Met ingang van 1 januari 2008 is artikel 287a Fw in werking getreden. Op grond van dit artikel kan de schuldenaar de rechtbank verzoeken om schuldeisers die weigeren mee te werken aan buitengerechtelijk, onderhands akkoord tot medewerking aan dit akkoord te dwingen. Dit verzoek moet worden gedaan in het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (verder WSNP). Indien de rechtbank het verzoek tot een gedwongen schuldregeling toewijst is het niet meer nodig het verzoek tot toepassing van de WSNP te behandelen. Indien de rechtbank het verzoek afwijst beslist zij op het verzoek tot toepassing van de WSNP, indien de schuldenaar het verzoek daartoe handhaaft.

In deze nieuwsbrief staat de vraag centraal of vereist is dat de schuldenaar in aanmerking komt voor toelating tot de WSNP: kan een verzoek voor een gedwongen schuldregeling worden afgewezen als er sprake is van een afwijzingsgrond zoals genoemd in artikel 288 Fw?

De lagere rechtspraak heeft een wisselend beeld laten zien.
Het Hof Arnhem (5-8-2008), rechtbank Middelburg (27-3-2012) en het Hof ’s-Hertogenbosch (28-6-2012) oordeelden dat een gedwongen schuldregeling niet los kan worden gezien van het verzoek tot toepassing van de WSNP. Dat zou betekenen dat indien vaststaat dat een verzoek tot toepassing van de WSNP zal worden afgewezen, ook het verzoek voor een gedwongen schuldregeling zal worden afgewezen.

De rechtbank Rotterdam (22-02-2008) en rechtbank Maastricht (19-03-2008) oordeelden dat een te verwachten afwijzing van het verzoek tot toepassing van de WSNP geen grond is voor afwijzing van het verzoek tot een gedwongen schuldregeling.

Het Hof Amsterdam (20-11-2012, NJF 2013/1) heeft in dit arrest overwogen dat de omstandigheid dat de schuldenaar niet in aanmerking komt voor de WSNP geen beletsel is voor toewijzing van een verzoek een dwangakkoord op te leggen aan weigerachtige schuldeisers. Wel overweegt het Hof dat de omstandigheid dat een schuldenaar niet in aanmerking komt voor de WSNP wel van groot belang is bij de beoordeling van het verzoek een dwangakkoord toe te wijzen. De ruimte om een dergelijk verzoek voor een dwangakkoord dan toch toe te wijzen zou volgens het Hof Amsterdam dan uiterst beperkt zijn.

De Hoge Raad heeft zich in het arrest van 14 december 2012 (NJ 2013/43 en LJN BY0966) uitgelaten over de vraag die in deze nieuwsbrief centraal staat. De Hoge Raad overweegt dat de toewijsbaarheid van een (primair) verzoek tot instemming met een schuldregeling niet afhankelijk is van de toewijsbaarheid van een (subsidiair) verzoek tot toepassing van de WSNP. Verder overweegt de Hoge Raad dat in lid 5 van artikel 287a Fw is aangegeven dat op welke gronden de rechtbank het verzoek tot een gedwongen schuldregeling kan toewijzen: dit voorschrift verwijst niet naar de in art. 288 Fw opgenomen gronden aan de hand waarvan het verzoek tot toepassing van de WSNP moet worden beoordeeld. Ook overweegt de Hoge Raad dat uit de wetsgeschiedenis van artikel betreffende het dwangakkoord kan worden afgeleid dat deze regeling erop is gericht een regeling te bieden voor schuldenaren die er niet uit komen met de schuldeisers in het minnelijke traject en ook niet voldoen aan de strenge eisen die gelden voor toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
 
Duidelijk is dan nu dat er geen koppeling is tussen het verzoek tot een gedwongen schuldregeling en het verzoek tot toelating tot de WSNP. Maar de regeling betreffende het dwangakkoord is summier gehouden: in lid 5 van artikel 287a Fw wordt bepaald dat de rechtbank het verzoek kan toewijzen indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van de instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Ten aanzien van de invulling van deze maatstaf is naar mijn mening het laatste woord nog niet gezegd.