Schuldsaneringsregeling en ondernemers

Datum 09-07-2013
Bericht geschreven door: mr. P. (Peter) van Rossum, advocaat
In deze nieuwsbrief worden twee uitspraken besproken waarin ex-ondernemers met een eenmanszaak een verzoek hebben gedaan tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (verder: WSNP), en beide verzoeken zijn afgewezen.

Voor de beoordeling van een verzoek tot toelating tot de WSNP kijkt de rechtbank onder meer naar artikel 288 Fw. In dit artikel zijn een aantal imperatieve afwijzingsgronden opgenomen in het tweede lid, en een aantal imperatieve toelatingsvereisten in het eerste lid van dit artikel.

Het te goeder trouw zijn ten aanzien van het ontstaan van de schulden is een toelatingsvereiste voor toelating tot de WSNP. Artikel 288 lid 1 sub b bepaalt dat het verzoek tot toelating tot de WSNP slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Artikel 288 Fw is met ingang van 1 januari 2008 zeer sterk gewijzigd: de bewijslast is bij de verzoeker komen te liggen. De verzoeker moet aannemelijk maken dat hij voldoet aan alle toelatingsvereisten, èn geen van de afwijzingsgronden van artikel 288 lid 2 mag van toepassing zijn.
 
In de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 februari 2013 (LJN:BZ2052) heeft de rechtbank overwogen dat zij bij de beoordeling van het toelatingsvereiste dat de schulden te goeder trouw moeten zijn ontstaan rekening kan houden “met alle omstandigheden, zoals de aard en omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin verzoekster een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de verzoekster wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers te frustreren en dergelijke.”

In deze zaak was er sprake van een schuldenlast van ruim € 570.000,--, waaronder verschillende (omvangrijke) rekening-courantschulden. De rechtbank heeft gekeken naar de omvang van de schulden en heeft overwogen dat er in het verleden een moment moet zijn geweest dat het verzoekster duidelijk moet zijn geweest dat de verplichtingen niet konden worden nagekomen, en dat verzoekster desondanks door is gegaan met het niet voldoen aan de verplichtingen en het aangaan van financiële verplichtingen. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat verzoekster als bestuurder en enig aandeelhouder van een besloten vennootschap betrokken is geweest bij een eerder faillissement in 2008. In dat kader overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat verzoekster zich in een eerder stadium serieus heeft afgevraagd in hoeverre het nog verantwoord was om de onderneming voort te zetten, terwijl dit wel op haar weg had gelegen gezien de betrokkenheid bij een eerder faillissement zoals hiervoor aangegeven. Bovendien speelt in dat geval ook mee dat verzoekster werkzaam is bij een voormalig werknemer, waarbij de voormalig werknemer het klantenbestand van verzoekster heeft overgenomen zonder dat aannemelijk is gemaakt dat verzoekster hier geen vergoeding voor had kunnen vragen.
 
In de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 februari 2013 (LJN: CA3071) oordeelde de rechtbank dat verzoeker zijn onderneming te lang heeft voortgezet. In deze zaak heeft verzoeker achtereenvolgens verschillende (grote) bedragen geleend, en is hij in de periode dat hij die leningen is aangegaan (2009/2010) ook nog langdurige contracten voor reclame-uitingen aangegaan. Bij de vraag van de rechtbank hoe de schulden volgens verzoeker zijn ontstaan is aangegeven dat het bedrijf in een isolement was geraakt door een wijziging van de rondweg bij zijn bedrijf. De rechtbank oordeelde dat verzoeker op dat moment consequenties had moeten trekken uit deze nieuwe, onomkeerbare situatie: op dat moment had overwogen kunnen worden om het bedrijf te verplaatsen of te sluiten, aldus de rechtbank. Ook in dit geval was de aanvrager van de WSNP als bestuurder van een besloten vennootschap betrokken geweest bij een eerder faillissement in 2001. De rechtbank heeft dit meegewogen in haar oordeel, en heeft in dit kader overwogen dat van verzoeker meer voorzichtigheid mocht worden verwacht.
 
De rechtbanken gaan derhalve bij de beoordeling van de vraag of schulden te goeder trouw zijn ontstaan min of meer op de stoel van de ondernemer zitten. Twijfelt u of u de activiteiten van uw onderneming voort moet zetten? Laat u dan goed adviseren over de te nemen stappen. U kunt hiervoor contact opnemen met mr. P. van Rossum.