Steunvordering bij aanvraag faillissement

Datum 18-05-2017
Bericht geschreven door: mr. P. (Peter) van Rossum, advocaat
In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Bosch bepaald dat de in een boekhouding genoemde maar betwiste vorderingen wel als steunvordering kunnen dienen bij een faillissementsaanvraag[1].
 
In artikel 6 lid 3 Fw. is bepaald dat de faillietverklaring wordt uitgesproken indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en bij de aanvraag van het faillissement door een schuldeiser ook van het vorderingsrecht van de aanvrager. Uit de jurisprudentie blijkt verder dat er nog sprake moet zijn van pluraliteit van schuldeisers terwijl tenminste één vordering opeisbaar is. Aan al deze voorwaarden moet zijn voldaan wil het faillissement uitgesproken worden. In deze zaak ging het met name om het vaststellen van pluraliteit van schuldeisers.

Het faillissement werd aangevraagd van een bouwbedrijf. De rechtbank heeft het verzoek in eerste instantie afgewezen omdat niet voldoende is gebleken dat het bedrijf meerdere opeisbare schulden onvoldaan laat. Hierdoor is er onvoldoende grond om tot de conclusie te komen dat het bedrijf in de toestand verkeert te hebben opgehouden met betalen. Er is volgens de rechtbank dus niet voldaan aan een van de voorwaarden, waardoor het verzoek wordt afgewezen.

In beroep handhaaft de belastingdienst het verzoek en dient stukken in van drie vermeende schuldeisers van het bouwbedrijf, waaruit de pluraliteit van schuldeisers volgt. Deze steunvorderingen heeft de belastingdienst gebaseerd op een crediteurenlijst van het bouwbedrijf, boven tafel gekomen bij een boekenonderzoek. De betreffende schuldeisers hebben stukken toegezonden aan de belastingdienst, die deze weer heeft bijgevoegd bij het faillissementsverzoek.

Het bouwbedrijf betwist de vordering van de belastingdienst niet, maar stelt dat er nog verrekend kan worden en dat zij de vordering van de belastingdienst kan betalen. De steunvorderingen worden wel betwist. Het bouwbedrijf stelt dat uit het boekenonderzoek geen conclusies kunnen worden getrokken, en dat in de boekhouding ook facturen zijn verwerkt die betrekking hebben op zusterbedrijven. Het concern is nog bezig met het scheppen van orde in de administratieve chaos. Tenslotte stelt het bouwbedrijf dat de boekhouding slechts een concept boekhouding is.

Het hof begint met de overweging dat de faillissementsprocedure beperkt is en zich niet leent voor een onderzoek. De aanvrager van het faillissement moet (summierlijk) aannemelijk maken dat er sprake is van diens vordering, dat er sprake is van pluraliteit van schuldeisers en dat de wederpartij is opgehouden te betalen. Tegen de summierlijke bewijslevering volstaat een summierlijke betwisting, aldus het hof.

De vordering van de belastingdienst wordt niet betwist, en staat derhalve vast. Het hof is verder van oordeel dat de administratie/boekhouding van het bouwbedrijf kan dienen als basis voor het vaststellen welke vorderingen op het bouwbedrijf betrekking hebben. Dat ook vorderingen van andere bedrijven uit het concern in deze boekhouding terecht zijn gekomen komt voor rekening en risico van het bouwbedrijf. Dat er in de boekhouding achter verschillende vordering “concept” is geschreven doet hier niet aan af.

Het hof wijst er ook nog op dat het aan het bouwbedrijf en de zusterbedrijven is om de zaken zo te regelen dat het voor de opdrachtgevers duidelijk is met welk bedrijf ze te maken hebben. Indien dit niet duidelijk is kan het opdrachtgevers niet worden verweten dat zij een verkeerde vennootschap aanspreken of voor de zekerheid facturen versturen naar meerdere vennootschappen binnen dezelfde groep.

Het hof acht twee steunvorderingen aannemelijk, terwijl één volstaat. Daarmee is de pluraliteit van schuldeisers gegeven. Daarnaast is naar het oordeel van het hof sprake van betalingsonwil/onmacht ten aanzien van de vordering van de belastingdienst: de schulden komen ook voor uit eigen aangiftes, en uit de ter zitting gegeven antwoorden maakt het hof op dat het bouwbedrijf niet bereid is om op korte termijn tot betaling over te gaan dan wel een zekerheid te stellen.

Alle voorwaarden zijn derhalve (summierlijk) aangetoond, en het faillissement van het bouwbedrijf wordt alsnog uitgesproken door het hof.
 

Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.

Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.


[1] Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 23-02-2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:690