Terugvordering girale betaling in faillissement

Datum 23-12-2013
Bericht geschreven door:
Terugvordering girale betaling in faillissement
 
In deze nieuwsbrief wordt een arrest besproken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin een opdracht tot girale betaling is gegeven voor faillissement maar de betaling is afgerond na uitspraak van het faillissement.
 
Het betreft een arrest van 26 november 2013[1]. In deze zaak heeft de bestuurder van X op 7 februari 2011 opdracht gegeven aan de Rabobank om een bedrag over te maken op de rekening van Y. Dit bedrag is op 8 februari 2011 bijgeschreven op de rekening van Y. Op 8 februari 2011 is X failliet verklaard en de curator is van mening dat Y het ontvangen bedrag terug moet betalen nu het bedrag op 8 februari 2011 om 0.00 uur nog niet uit het vermogen van X is geraakt. Y stelt dat de rekening van X op 7 februari 2011, dus vòòr faillissement, is gedebiteerd en dat het bedrag niet terugbetaald zou moeten worden.
 
In artikel 23 van de faillissementswet wordt bepaald dat door de faillietverklaring de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorende vermogen verliest, “te rekenen van de dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen.” Dat wil zeggen dat vanaf 0.00 uur op de dag dat het faillissement wordt uitgesproken de failliet geen handelingen meer kan verrichten die zijn vermogen aantasten.
 
In eerste aanleg heeft de rechtbank Oost-Nederland, sector kanton bepaald dat niet is komen vast te staan dat bij aanvang van de dag van de uitspraak van het faillissement de Rabobank alle handelingen om de betaalopdracht uit te voeren had verricht. In dit geval kan de curator op grond van artikel 23 Fw. aanspraak maken op terugbetaling van het bedrag. De curator kan handelingen van de failliet die in strijd zijn met dit artikel terug draaien. Y is in hoger beroep gegaan tegen dit vonnis.
 
Het Hof overweegt dat “de vraag of de curator een door X vóór de aanvang van de dag van faillietverklaring gegeven (maar na dat moment voltooide) betalingsopdracht kan terugdraaien, in de zin dat hij van Y terugbetaling van het betaalde bedrag kan vorderen, dient te worden onderscheiden van de vraag of betaling heeft plaatsgevonden (de verbintenis ter voldoening waarvan de betaling strekt is voldaan).“ Zoals bepaalt in artikel 23 Fw. kon X met ingang van 0.00 uur op 8 februari 2011 geen handelingen meer verrichten die het vermogen aantasten. De betalingsopdracht die op 7 februari 2011 is gegeven is wèl bevoegd gegeven.
 
De Hoge Raad heeft in het arrest van 31 maart 1989 overwogen dat de curator een giraal betaald bedrag kan terugvorderen als de bank waaraan de betalingsopdracht werd gegeven op de dag van de faillietverklaring nog niet alle handelingen heeft verricht die zij ter uitvoering van de betaling gehouden was te verrichten. Op een aantal feitelijke punten wijkt de zaak die de Hoge Raad heeft behandeld wel af van de zaak die het Hof Arnhem-Leeuwarden in behandeling heeft gehad, maar het uitgangspunt blijft gelijk.
 
In het arrest van het Hof worden een aantal stappen weergegeven waaruit een girale betaling bestaat en die moeten worden doorlopen om de betaalopdracht uit te voeren, te weten:
 
  1. X geeft aan de Rabobank opdracht tot betaling;
  2. de Rabobank debiteert haar rekening-courant met X met het bedrag ten laste van X en ten gunste van de Rabobank;
  3. de rekening-courant van de Rabobank met DNB wordt gecrediteerd ten laste van de Rabobank en ten gunste van DNB;
  4. DNB verevent deze creditering door haar rekening-courant met ING te debiteren ten laste van zichzelf en ten gunste van ING;
  5. ING debiteert haar rekening-courant met Y ten laste van zichzelf en ten gunste van Y.
Het betalingsverkeer tussen de banken en DNB verloopt via een intermediair, Equens. Deze intermediair regelt en administreert het betalingsverkeer tussen onder meer DNB en de aangesloten banken.
 
De vraag in deze zaak is welke handelingen zoals hiervoor omschreven al vóór aanvang van de dag waarop het faillissement wordt uitgesproken moeten zijn voltooid alvorens de curator geen terugbetaling meer kan vorderen. Deze vraag moet volgens het Hof worden beantwoord aan de hand van de norm die de Hoge Raad heeft bepaald in het arrest van 31 maart 1989.
 
Het Hof overweegt dat tot het moment van verevening door DNB (nummer 4) de te verrichten handelingen om te komen tot het moment van betaling aan Y (creditering van de rekening van Y) plaatsvinden in het domein van X en haar bank, de Rabobank. “Het is X die opdracht geeft tot betaling en  het is de Rabobank die zorgt respectievelijk zorg doet dragen voor debitering en creditering van haar rekening-courant met X respectievelijk DNB. Dat voor die handelingen (noodzakelijk) gebruik wordt gemaakt van Equens doet daaraan niet af.”
 
Als je dan kijkt naar deze zaak kan de curator de betaling nog terugvorderen zolang nog betalingshandelingen moeten plaatsvinden in het domein van X en haar bank, dat wil dus zeggen tot het moment van verevening door DNB. In deze zaak heeft op de dag van de uitspraak van het faillissement de verevening door DNB nog niet plaatsgevonden. Dit blijkt onder meer uit de brochure “binnenlands betalingsverkeer” van de Rabobank waarin is vermeld dat “betaalopdrachten die u ná 13.00 aanbiedt worden de volgende werkdag doorgeleid en verevend.” In deze zaak staat vast dat de betaalopdracht is gegeven op 7 februari 2011 om 15.53 uur. De curator kan dus het bedrag terug vorderen van Y.
 
Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.
 
Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.
 

[1] ECLI:NL:GHARL:2013:8983, zaaknummer 200.123.538-01