Update: valt hypothecaire schuld onder de schone lei?

Datum 13-09-2016
Bericht geschreven door: mr. P. (Peter) van Rossum, advocaat
In mijn nieuwsbrief van juli 2015 heb ik een zaak besproken van het Hof Arnhem-Leeuwarden[1] waarin een gescheiden vrouw die de wettelijke schuldsaneringsregeling met een schone lei heeft afgerond, alsnog wordt geconfronteerd met een restschuld na de verkoop van de echtelijke woning.
 
Het Hof-Arnhem-Leeuwarden heeft destijds geoordeeld dat de restschuld van de echtelijke woning die door de verkoop van de woning nadat de vrouw de schuldsaneringsregeling had beëindigd met een schone lei, niet onder deze schone lei valt. De vrouw blijft derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor de restschuld ondanks de schone lei in de schuldsaneringsregeling.
 
De vrouw heeft haar verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend voordat de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap tot stand was gekomen en daarmee voordat de voor haar aan die verdeling verbonden financiële consequenties – onder meer ter zake van de woning en haar aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening – geheel duidelijk waren. De gevolgen van het tijdstip van indienen van het schuldsaneringsverzoek dienen voor rekening en risico van de vrouw te blijven. Aldus het Hof Arnhem-Leeuwarden destijds.
 
Nog even de feiten kort op een rij:
  • Een man en vrouw zijn in gemeenschap van goederen gehuwd in 1989, de scheiding is in 2007 ingeschreven.
  • Tijdens het huwelijk is een woning gekocht met een hypotheek van de SNS Bank voor een bedrag van € 280.500,--. De man heeft sinds 2007 de hypotheeklasten voldaan. De vrouw bewoonde de woning tot 2009, vervolgens trok de man in de woning.
  • De vrouw is in april 2008 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, die in september 2011 met een schone lei is beëindigd.
  • In 2011 is de vrouw door de man gedagvaard inzake een onverdeelde boedel.
  • De woning staat te koop en de huidige waarde is aanzienlijk lager dan de hypotheekschuld. De rechtbank bepaalde dat na de verkoop van de woning de overwaarde of restschuld door de man en de vrouw voor de helft moet worden gedragen.
 
De vrouw heeft beroep in cassatie ingesteld en de Hoge Raad heeft zich bij arrest van 10 juni 2016 uitgesproken over deze zaak[2].

De Hoge Raad verwijst in dit arrest naar het bepaalde in een arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2009[3] zoals ook het Hof Arnhem-Leeuwarden dat al deed. Dit houdt in dat de schuldsaneringsregeling niet werkt ten aanzien van vorderingen die door een pand of hypotheek zijn gedekt, behoudens voor zover die vorderingen niet op de verbonden goederen verhaald kunnen worden. Als de hypothecair schuldeiser en de bewindvoerder afzien van hun rechten tot uitwinning van de verbonden goederen, dan moet de schuldenaar de lopende verplichtingen voldoen uit het vrij te laten bedrag. De schone lei heeft in een dergelijk geval geen betrekking op de vordering van de pand- of hypotheekhouder.

Een uitzondering op deze regel past volgens de Hoge Raad niet in het wettelijke stelsel zoals in het arrest van de Hoge Raad uit 2009 is weergegeven. Bovendien zou de bank zich dan moeten verdiepen in de vraag wie de woning bewoont en wie de betalingen verricht om haar verhaalsrecht niet te verspelen. Dat is onwenselijk zowel uit praktisch oogpunt als met het oog op de bereidheid van de banken woningen te financieren en mee te werken aan het voortzetten van de financiering als de schuldsaneringsregeling van toepassing is.

De Hoge Raad merkt wel op dat er in geval van een onderwaarde er een verschil kan ontstaan tussen het geval waarbij de woning tijdens de schuldsaneringsregeling wordt verkocht (restschuld valt wel onder de schone lei) en het geval zoals deze waarbij de woning na de schuldsaneringsregeling wordt verkocht. De Hoge Raad overweegt dat dit verschil wordt gerechtvaardigd door het feit dat de bank bereid is om geen gebruik te maken van haar bevoegdheid tot uitwinning. Bovendien staat pas na de verkoop van de woning definitief vast of er sprake is van overwaarde dan wel onderwaarde.

Tot slot merkt de Hoge Raad nog op dat de vrouw (partiële) verdeling van de tussen haar en de man bestaande gemeenschap had kunnen vorderen als zij bij gebreke van een afspraak met de man over de toedeling van de woning en over de draagplicht voor de hypothecaire schuld niet in de onverdeeldheid wenste te blijven.
 

Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.

Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.


[1] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-11-2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8869
[2] Hoge Raad 10-06-2016, ECLI:NL:HR:2016:1135
[3] ECLI:NL:HR:2009:BG7996