Valt hypothecaire schuld onder de schone lei?

Datum 01-07-2015
Bericht geschreven door:
In deze zaak van het Hof Arnhem-Leeuwarden[1] wordt een zaak behandeld van een gescheiden vrouw die de wettelijke schuldsaneringsregeling met een schone lei heeft afgerond, maar alsnog wordt geconfronteerd met een restschuld na de verkoop van de echtelijke woning.
 
Een man en vrouw zijn in gemeenschap van goederen gehuwd in 1989, de scheiding is in 2007 ingeschreven. Tijdens het huwelijk is een woning gekocht met een hypotheek van de SNS Bank voor een bedrag van € 280.500,--. De man heeft sinds 2007 de hypotheeklasten voldaan. De vrouw bewoonde de woning tot 2009, vervolgens trok de man in de woning. De vrouw is in april 2008 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, die in september 2011 met een schone lei is beëindigd. In 2011 is de vrouw door de man gedagvaard inzake een onverdeelde boedel. De woning staat te koop en de huidige waarde is aanzienlijk lager dan de hypotheekschuld. De rechtbank bepaalde dat na de verkoop van de woning de overwaarde of restschuld door de man en de vrouw voor de helft moet worden gedragen. De overwegingen van de rechtbank waren als volgt:
  1. De hypotheekschuld valt niet onder de schuldsaneringsregeling met als gevolg dat de schuldenaar tijdens de schuldsaneringsregeling rente verschuldigd blijft.
  2. De hypotheekschuld bij beëindiging van de schuldsaneringsregeling niet onder de schone lei valt;
  3. Dat dit slechts anders is indien de woning gedurende de schuldsaneringsregeling wordt verkocht.
De vrouw voert in hoger beroep aan dat op grond van artikel 358 lid 5 Fw de werking van de schone lei geen toepassing vindt ten aanzien van een vordering waarvoor een hypotheek tot zekerheid strekt gevestigd op een registergoed waar de schuldenaar woonachtig is en indien op de rente van deze vordering artikel 303 lid 3 Fw. van toepassing is. Aan deze twee voorwaarden wordt niet voldaan zodat de hypotheekschuld wèl onder de werking van de schone lei valt, aldus de vrouw.

Daarnaast stelt de vrouw dat de schuldsaneringsregeling in ieder geval werkt ten aanzien van een na verkoop van de woning resterende concurrente vordering van de bank.

Het Hof neemt tot uitgangspunt “dat de wettelijke regeling betreffende schuldsanering, en in het bijzonder het bepaalde in artikel 299 lid 3 jo artikel 57 Fw, mee brengt dat een vordering die bestaat op het moment dat de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard, niet onder de werking van de schuldsaneringsregeling valt zolang deze vordering in de periode dat de schuldsaneringsregeling van toepassing is wordt gedekt door een pand of hypotheek. Dit wordt slechts anders wanneer het goed waarop het pand rust of de hypotheek is gevestigd gedurende de periode dat de schuldsaneringsregeling van toepassing is te gelde wordt gemaakt en de opbrengst daaruit niet voldoende blijkt te zijn om de vordering volledig te voldoen. In dat geval zal, mede gezien het bepaalde in artikel 59 Fw, het resterende deel van de vordering als concurrente vordering onder de toepassing van de schuldsaneringsregeling komen te vallen.” De wetswijzigingen zoals die van 2008 ten aanzien van artikel 303 lid 3 en 358 lid 5 Fw doen hier niet aan af, zo bepaalde de Hoge Raad in zijn arrest van 13 maart 2009[2].

De vrouw voerde ook aan dat zij door deze beslissing het onbedoelde slachtoffer wordt van een situatie waarin de hypotheekhouder en bewindvoerder geen belang hebben bij de verkoop van de woning en zij zelf geen mogelijkheid heeft om de verkoop van de woning af te dwingen. Het Hof ziet hierin echter geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De vrouw heeft haar verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend voordat de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap tot stand was gekomen en daarmee voordat de voor haar aan die verdeling verbonden financiële consequenties – onder meer ter zake van de woning en haar aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening – geheel duidelijk waren. De gevolgen van het tijdstip van indienen van het schuldsaneringsverzoek dienen voor rekening en risico van de vrouw te blijven.
 
Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.

Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.


[1] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-11-2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8869
[2] ECLI:NL:HR:2009:BG7996