Valt ontslagvergoeding in de boedel?

Datum 04-06-2014
Bericht geschreven door:
De rechtbank Rotterdam heeft in de uitspraak van 31 januari 2014[1] het beroep van de schuldenaar om een ontslagvergoeding buiten de boedel te houden afgewezen.
 
In deze zaak is de toepassing van de schuldsaneringsregeling (verder: WSNP) bij vonnis van 22 november 2010 uitgesproken. Op 22 november 2013 is aan de schuldenaar een schone lei verleend.
De schuldenaar is sinds 2001 in loondienst geweest, maar deze arbeidsplaats is op 30 september 2013 komen te vervallen. Op 8 juli 2013 heeft de schuldenaar een vaststellingsovereenkomst getekend op grond waarvan zijn arbeidsovereenkomst per 30 september 2013 wordt beëindigd en aan de schuldenaar een bruto ontslagvergoeding wordt toegekend van € 75.692,08.
 
De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 16 december 2013 geoordeeld dat de schuldenaar de volledige ontslagvergoeding dient af te dragen op de boedelrekening. De rechter-commissaris heeft dit besluit genomen op grond van artikel 295 lid 1 Fw, dat bepaalt dat de boedel de goederen van de schuldenaar omvat ten tijde van de uitspraak WSNP alsmede de goederen die de schuldenaar tijdens de toepassing van de WSNP verkrijgt.
 
De schuldenaar heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechter-commissaris: de ontslagvergoeding dient volgens de schuldenaar tenminste gedeeltelijk buiten de boedel te blijven. Daarbij moet volgens de schuldenaar rekening worden gehouden met het feit dat het dienstverband geheel buiten zijn schuld is beëindigd kort voor het einde van de WSNP. Gezien zijn leeftijd (55 jaar) en gezondheidstoestand (de schuldenaar is op dit moment arbeidsongeschikt en ontvangt een ziektewet uitkering) zijn de vooruitzichten op een nieuwe baan zeer ongunstig. Naar verwachting zal de schuldenaar een geruime tijd en mogelijk permanent geen inkomsten uit arbeid meer ontvangen en zal er geen pensioenopbouw meer plaatsvinden. De ontslagvergoeding zou dan ook moeten worden gezien als compensatie voor het langdurig of definitief wegvallen van arbeidinkomen en pensioenopbouw. De schuldenaar zou onevenredig worden benadeeld door de volledige afdracht van de ontslagvergoeding.
 
Bij de beoordeling overweegt de rechtbank dat op de regel van artikel 295 lid 1 Fw een aantal uitzonderingen zijn gemaakt zoals omschreven in artikel 295 lid 2 tot en met lid 6 FW. De rechtbank heeft overwogen dat deze situatie niet valt onder één van deze uitzonderingen.
 
De rechtbank heeft zich vervolgens wel afgevraagd of de argumenten van de schuldenaar desondanks een uitzondering rechtvaardigen op artikel 295 lid 1 Fw en dus zelfstandig het oordeel kunnen dragen dat de ontslagvergoeding buiten de boedel valt. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit het arrest van de Hoge Raad van 24 november 2006 (NJ 2007,239) volgt dat “er gelet op de aard van de schuldsaneringsregeling (namelijk de beoogde verlening van een schone lei waartegenover een zo groot mogelijke inspanning van de schuldenaar tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling moet staan om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen) evenwel geen ruimte is om aan de (in de wet verwoorde) uitzonderingen op artikel 295 lid 1 FW een uitleg te geven die de bewoordingen daarvan te buiten gaat. Tegen die achtergrond moet de conclusie zijn dat, nu de onderhavige ontslagvergoeding niet onder de wettelijke uitzonderingen op artikel 295 lid 1 Fw valt, er geen ruimte is de ontslagvergoeding (gedeeltelijk) buiten de schuldsaneringsboedel te houden.”
 

In dit geval ontstaat de ontslagvergoeding tijdens de looptijd van de WSNP en valt deze vergoeding geheel in de boedel. Indien het recht op de ontslagvergoeding ontstaat nà de termijn van de WSNP dan is de situatie wellicht anders, afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
 
Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.
 
Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.
 

[1] Rechtbank Rotterdam, 31-01-2014, ECLI:NL:RBROT:2014:779