Vernietiging faillissement na verzet curator

Datum 18-04-2014
Bericht geschreven door: mr. P. (Peter) van Rossum, advocaat
De rechtbank Rotterdam heeft in de uitspraak van 20 maart 2014[1] een faillissement vernietigd nadat de curator verzet had ingesteld tegen de uitspraak van het faillissement De rechtbank heeft overwogen dat vaststaat dat de failliet verklaarde vennootschap niet meer aan haar betalingsverplichting kan voldoen, en dat in zoverre is voldaan aan de vereisten om op eigen aangifte failliet te kunnen worden verklaard. Daarom moet gekeken worden of er nog baten aanwezig zijn die verdeeld kunnen worden onder de schuldeisers.
 
In dit geval was er sprake van een schuld aan de bank ten bedrage van een kleine € 50.000,--, een schuld van € 157,-- aan de accountant en een rekening-courantverhouding met de bestuurder en enig aandeelhouder van failliet. Er zijn geen bezittingen, geen debiteuren, er is geen personeel en geen eigen bedrijfsruimte. Verder zijn de activiteiten al geruime tijd voor faillissement gestaakt. De curator is niet gebleken dat er in 2013 enige omzet is gemaakt. Voorts heeft de curator geconstateerd dat failliet voorafgaand aan het faillissement heeft getracht een regeling te treffen met de bank. De vordering van de accountant wilde de bestuurder/enig aandeelhouder zelf voldoen.
 
De enige baten die er mogelijk zijn bestaan uit een mogelijke belastingteruggaaf van € 300,-- en een positief saldo van € 41,55, en zijn afgezet tegen de kosten van een faillissement derhalve verwaarloosbaar. Bovendien heeft de curator vastgesteld dat er geen aanleiding is om een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid in te stellen waaruit een bate voor de boedel zou kunnen voortvloeien.
 
De rechtbank heeft naar aanleiding van het vorenstaande geconcludeerd “dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die aannemelijk maken dat (failliet) over baten beschikt. Er had daarom ex artikel 2:19 lid 4 BW een besluit tot ontbinding van (failliet) moeten worden genomen. Aan vereffening en in het bijzonder aan artikel 2:23a lid 4 BW wordt dan niet meer toegekomen.”

In artikel 2:23a lid 4 BW wordt bepaald dat de vereffenaar aangifte tot faillietverklaring moet doen indien blijkt dat de schuldenlast naar alle waarschijnlijkheid groter is dan de baten, tenzij alle bekende schuldeisers desgevraagd instemmen met voortzetting van de vereffening buiten faillissement.

De rechtbank overweegt nog dat het aan de bank is om aannemelijk te maken dat er toch baten zijn en dat zij bij vereffening nog een betaling zouden hebben ontvangen, omdat de bank in dit geval de enige materiële schuldeiser is.

De rechtbank overweegt dat het doen van eigen aangifte in dit geval misbruik van recht oplevert, omdat er een onevenredigheid is tussen het belang bij de eigen aangifte van failliet en het belang van een te benoemen curator anderzijds om verschoond te blijven van de benoeming in een faillissement waarbij al vaststaat dat de kosten voor rekening van de curator zullen komen. De schuldenlast van failliet zal door het faillissement alleen maar toenemen.

De bestuurder van het in eerste instantie failliet verklaarde bedrijf is veroordeeld in de kosten van de procedure en de faillissementskosten.

Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.

Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.


[1] Rechtbank Rotterdam, 20-03-2014, ECLI:NL:RBROT:2014:2052