Vernietiging koopovereenkomst op grond van faillissementspauliana

Datum 28-10-2014
Bericht geschreven door: mr. P. (Peter) van Rossum, advocaat
De rechtbank Rotterdam heeft in de uitspraak van 28 mei 2014[1] een beroep op vernietiging van een koopovereenkomst toegewezen. In dit geval is een schildersbedrijf op 2 april 2013 op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard. Een bedrijf dat zich richt op onder meer de verhuur van hoogwerkers en schildersmateriaal (verder te noemen: gedaagde), heeft een lange relatie met het schildersbedrijf (verder te noemen: failliet) waarbij failliet vaak materiaal huurde van gedaagde.
 
Eind 2012/begin 2013 was de vordering van gedaagde op failliet opgelopen tot ongeveer € 100.000,--. Gedaagde heeft vervolgens op 12 maart 2013, dus kort voor faillissement, de bedrijfsmiddelen gekocht voor € 63.525,-- waarbij de koopprijs is verrekend met een deel van de openstaande facturen. De factuur met betrekking tot de verkoop van de bedrijfsmiddelen is gedateerd op 28 januari 2013. De bedrijfsmiddelen zijn een dag daarna aan gedaagde geleverd, en gedaagde heeft deze goederen vervolgens doorverkocht aan een derde. Ook heeft gedaagde de dag na de verkoop van de bedrijfsmiddelen alle op dat moment aan failliet gehuurde materialen opgehaald.
 
De curator heeft bovengenoemde overeenkomst betreffende de verkoop van de bedrijfsmiddelen op grond van artikel 42 Fw vernietigd, en vordert een verklaring voor recht dat de vernietiging rechtsgeldig is. Op grond van lid 1 van artikel 42 Fw. kan een curator een rechtshandeling die de failliet voor het faillissement onverplicht heeft verricht en waarvan de failliet wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van schuldeisers het gevolg zou zijn, vernietigen.
 
Het staat in dit geval vast dat het gaat om een onverplichte rechtshandeling: er was geen enkele verplichting voor failliet om de bedrijfsmiddelen te verkopen en de verkoopprijs te verrekenen met de openstaande schuld aan gedaagde.
 
Voor de vraag of er sprake is van benadeling van de schuldeisers moet een vergelijking gemaakt worden tussen de situatie waarin de schuldeisers zich bevinden wanneer de rechtshandeling in stand blijft, en de situatie waarin de schuldeisers zouden hebben verkeerd indien de verkoop van de bedrijfsmiddelen en verrekening van de verkoopprijs niet zou hebben plaatsgevonden. De rechtbank Rotterdam is van mening dat er sprake is van benadeling: door het ontrekken van de bedrijfsmiddelen zijn de schuldeisers van failliet in hun verhaalsmogelijkheden beperkt. Daarnaast zijn de bedrijfsmiddelen gebruikt om één (concurrente) schuldeiser te voldoen. Er is derhalve sprake van een verstoring van de tussen schuldeisers bestaande rangorde waardoor de schuldeisers zijn benadeeld. Verder is nog van belang dat de curator heeft aangegeven dat het tekort in het faillissement € 1,5 mln bedraagt, en dat de bank volledig is voldaan zodat er geen pandrecht meer rust op de bedrijfsmiddelen: de volledige opbrengst zou derhalve in de boedel zijn gevloeid.
 
Dan moet nog worden vastgesteld of er sprake is van wetenschap van benadeling.Er is sprake van wetenschap van benadeling in de zin van artikel 42 Fw. als ten tijde van de rechtshandeling het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien voor zowel gedaagde als failliet. De rechtbank Rotterdam is van oordeel dat dit het geval is: aangenomen moet worden dat de gedaagde wist dat failliet onvoldoende liquide middelen had om gedaagde te betalen en dat gedaagde op de hoogte was dat er ook andere schuldeisers waren. Ook wordt aangenomen dat het voor beide partijen in redelijke mate was te voorzien dat de schuldeisers niet voldaan konden worden.

De rechtbank acht in dit kader de volgende omstandigheden van belang:
  • Beide partijen wisten dat failliet de facturen van gedaagde niet kon voldoen;
  • Er was een betalingsachterstand van meer dan 150 dagen;
  • De factuur met betrekking tot de verkoop van de bedrijfsmiddelen was geantedateerd op 28 januari 2013;
  • De aard van de transactie: uit het feit dat gedaagde de goederen heeft doorverkocht blijkt dat het niet ging om de verkrijging van deze goederen maar om voldoening van (een deel van) haar facturen;
  • Het feit dat gedaagde alle aan failliet verhuurde zaken heeft teruggehaald de dag volgend op de verkoop. Hier volgt ook uit dat ook gedaagde er geen vertrouwen in had dat failliet de inmiddels sterk verminderde vordering door de verrekening van de koopprijs in de toekomst zou kunnen betalen. Ook overweegt de rechtbank dat gedaagde redelijkerwijs had moeten weten dat door het weghalen van het materiaal bij diverse opdrachtgevers van failliet de werkzaamheden vertraging zouden oplopen en ook dat de problemen van failliet in een breder verband bekend zouden worden.
  • Het feit dat het faillissement is uitgesproken enkele weken na de verkoop en verrekening.
Gezien het vorenstaande komt de rechtbank Rotterdam tot de conclusie dat het beroep op vernietiging van de koopovereenkomst slaagt. Met de terugwerkende kracht van de vernietiging is ook het beroep op verrekening door gedaagde ongedaan gemaakt.

Als gevolg van de vernietiging dient de gedaagde de bedrijfsmiddelen terug te geven aan de curator op grond van artikel 51 Fw. Voor zover gedaagde daartoe niet meer in staat is, is zij gehouden tot schadevergoeding.

Nu vaststaat dat gedaagde de goederen heeft doorverkocht aan een derde, is gedaagde gehouden tot het betalen van schadevergoeding. De hoogte van de schadevergoeding wordt bepaald door de waarde van de verkocht bedrijfsmiddelen. De rechtbank is van oordeel dat daarbij moet worden uitgegaan van de door de curator genoemde waarde van € 63.525,--. Het bedrag waarvoor gedaagde de bedrijfsmiddelen heeft gekocht van failliet. De gedaagde is van mening dat hooguit een bedrag van € 30.000,-- kan worden toegewezen, zijnde het bedrag waarvoor gedaagde de goederen heeft doorverkocht. De rechtbank verwerpt deze stelling: dat gedaagde € 30.000,- heeft ontvangen voor de goederen is in de relatie tussen failliet en gedaagde niet van belang. Omdat gedaagde geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die de eerder door haar aanvaarde waarde van de goederen van € 63.525,-- weerleggen, gaat de rechtbank uit van deze waarde. Gedaagde wordt veroordeeld tot het betalen van een bedrag van € 63.525,-- aan de curator.


Heeft u zelf een bedrijf in zwaar weer of doet u zaken met een bedrijf waarvan u denkt dat er betalingsproblemen (kunnen) ontstaan en u heeft advies nodig: neem dan contact op met mr. P. van Rossum.
 
Indien u vragen heeft over deze nieuwsbrief neemt u dan contact op met ons kantoor.

Deze nieuwsbrief wordt zo zorgvuldig mogelijk samengesteld. Niettemin kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor mogelijke onjuiste berichtgeving.


[1] Rechtbank Rotterdam, 28-05-2014, ECLI:NL:RBROT:2014:4807