Vervaltermijn ontslag op staande voet niet altijd zes maanden

Datum 29-08-2012
Bericht geschreven door:
Op grond van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (het BBA) dient een werkgever over een ontslagvergunning van het UWV te beschikken alvorens hij over kan gaan tot het ontslaan van een werknemer. Dit is (slechts) anders in het geval er sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Als de werknemer van mening is dat de werkgever hem of haar onterecht op staande voet heeft ontslagen, dan zal de werknemer het ontslag dienen te vernietigen. Artikel 9 lid 3 BBA bepaalt dat de werknemer dit binnen zes maanden moet doen.
 
In een recente uitspraak van de Hoge Raad[1] is gebleken dat er situaties bestaan waarin de vervaltermijn van zes maanden niet aan de werknemer kan worden tegengeworpen. Het betrof in die zaak een werknemer die leed aan schizofrenie. Werkgever was bekend met de psychische problemen van werknemer. Nadat de werknemer na zijn vakantie niet op het werk was verschenen omdat daar ‘spelletjes met hem werden gespeeld’, heeft werkgever hem opgeroepen voor zijn werkzaamheden. Aangezien werknemer geen gevolg aan deze oproep heeft gegeven, heeft werkgever hem een dag later (4 maart 2004) op staande voet ontslagen wegens ongeoorloofde afwezigheid.
 
Van 27 januari 2005 tot 18 juli 2005 is werknemer gedwongen opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis. Op 14 september 2005 heeft werknemer het aan hem gegeven ontslag vernietigd. Werkgever heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vernietiging, gezien de vervaltermijn van zes maanden, te laat was. De kantonrechter stelde werkgever in het gelijk. Werknemer stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de kantonrechter. 
 
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde – en de Hoge Raad is het daar mee eens – dat het beroep van de werknemer inderdaad niet binnen de termijn van zes maanden is gedaan. Echter, volgens het Hof wist de werkgever dat werknemer aan een ernstige geestesziekte leed, wist dan wel behoorde de werkgever te weten dat het beoordelingsvermogen van werknemer ernstig was vertroebeld en was werkgever ermee bekend dat de familie van werknemer zich inspande om hem te doen opnemen in een psychiatrische kliniek. Op grond van deze omstandigheden oordeelde het Hof dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was om aan het ongebruikt verstrijken van de termijn van zes maanden de conclusie te verbinden dat werknemer zich niet meer mocht beroepen op de vernietiging van het ontslag.
 
Let op! De vervaltermijn van artikel 9 lid 3 BBA is wel degelijk een ‘harde termijn’ en is dwingend recht. Een beroep op de redelijkheid en billijkheid dient volgens de Hoge Raad zeer terughoudend te worden toegepast.
Gezien de termijn van zes maanden, alsmede het risico dat deze termijn in bijzondere situaties nog langer is, is het voor een werkgever raadzaam om in het geval er ontslag op staande voet is gegeven, onmiddellijk een voorwaardelijk ontbindingsverzoek bij de kantonrechter in te (laten) dienen.
 

[1] Hoge Raad 22 juni 2012 (LJN: BW5695).