Verzwijgen mogelijke nieuwe baan bij vaststellingsovereenkomst. Dwaling?

Datum 18-02-2014
Bericht geschreven door:
In een zaak die eind vorig jaar speelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ging het om een tussen werkgever en werknemer in 2011 gesloten vaststellingsovereenkomst, uit hoofde waarvan werknemer per 1 mei 2011 uit dienst is getreden en werkgever aan werknemer een beëindigingsvergoeding  verschuldigd was. In de onderhandelingsfase heeft werkgever aan werknemer gevraagd of werknemer een concreet vooruitzicht had op een nieuwe baan.

Werknemer heeft daarop geantwoord dat hij sollicitaties had lopen, maar dat hij op dat moment nog geen concreet vooruitzicht had op een nieuwe baan. Op 24 maart 2011 hebben partijen de beëindigingsovereenkomst getekend. Bij brief van 31 maart 2011 is namens werknemer aan werkgever bericht dat werknemer per 1 mei 2011 in dienst zou treden bij X. Werkgever heeft vervolgens geweigerd om de overeenkomen beëindigingsvergoeding aan werknemer te betalen. De kantonrechter heeft werkgever veroordeeld om alsnog tot betaling van de beëindigingsvergoeding over te gaan. Werkgever kon zich niet in dit oordeel vinden en heeft hoger beroep ingesteld.

Anders dan de kantonrechter was werkgever van oordeel dat werknemer zijn mededelingsplicht heeft verzaakt omdat werknemer al ver gevorderd was met X (op 21 maart 2011 had hij daar zijn tweede gesprek gevoerd) en daar erg goed contact heeft gehad. Volgens werkgever was werknemer op 22 maart 2011 in een ‘meer dan beslissende fase’ terecht gekomen en had werknemer dit niet alleen desgevraagd, maar ook spontaan moeten melden. Voorts is werkgever van mening dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat werknemer onzeker was over zijn kansen. Volgens werkgever blijkt dit nergens uit en heeft werknemer nooit inzage willen geven in de feitelijke gang van zaken rond de sollicitatieprocedure bij X.

Artikel 6:228 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is indien de wederpartij in verband met hetgeen hij omtrent de dwaling wist dan wel behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten. Volgens sub a van genoemd artikel kan een overeenkomst op grond van dwaling worden vernietigd indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten.

In de procedure stond vast dat werknemer op de avond van 21 maart 2011 per e-mail aan X heeft verzocht om hem te informeren over de stand van zaken. Uit het namens X gezonden antwoord was op te maken dat de gesprekspartners van werknemer aan de andere bestuursleden van X een e-mail zouden sturen met een voorstel voor de eerste keus van de kandidaat, dat de bestuursleden uiterlijk twee dagen later zouden moeten reageren en er uiterlijk de volgende dag naar de eerst gekozen kandidaat gecommuniceerd zou worden.

Het hof oordeelde dat uit de e-mail van 21 maart 2011 niet blijkt dat werknemer op dat moment al (zo goed als) zeker was van een nieuwe baan. Uit de e-mail blijkt volgens het hof niet meer dan dat werknemer op 24 maart 2011 bericht zou kunnen verwachten over de vraag of hij de eerste keus was. Bovendien blijkt uit die email ook dat er meer dan twee kandidaten waren. In het licht hiervan is het antwoord van werknemer dat hij geen concreet vooruitzicht had op een nieuwe baan en dat hij aan het solliciteren was, niet onjuist.

Voorts oordeelde het hof dat gezien de omstandigheden van het geval er ook geen spontane mededelingsplicht op werknemer rustte ten aanzien van de fase waarin zijn sollicitaties zich bevonden. Indien de stand van zaken in de sollicitatieprocedures op dat moment voor werkgever beslissend was geweest voor de vraag of zij al dan niet een beëindigingsovereenkomst wenste te sluiten, dan had zij naar die stand van zaken moeten vragen. Dit heeft zij niet gedaan.

Nu er volgens het hof geen sprake was van dwaling en ook het beroep van werkgever op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid werd verworpen, diende werkgever alsnog de beëindigingsvergoeding aan werknemer te voldoen.