Wanneer is er sprake van opvolgend werkgeverschap?

Datum 29-01-2013
Bericht geschreven door:
De Hoge Raad heeft zich in mei 2012 in twee zaken uitgelaten over de vraag wanneer er sprake is van ‘opvolgend werkgeverschap’. Dit is onder andere van belang voor de, naar wij aannemen bekende, ketenregeling. In de keten tellen arbeidsovereenkomsten van bepaalde tijd mee als er sprake is van opvolgend werkgeverschap.
 
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat er sprake is van opvolgend werkgeverschap indien enerzijds de nieuwe overeenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden eist als in de vorige overeenkomst en anderzijds tussen de nieuwe werkgever en de vorige werkgever zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever.
 
In een zaak die eind vorig jaar speelde bij de rechtbank Zutphen, moest de kantonrechter zich uitlaten of er in een bepaalde geval sprake was van opvolgend werkgeverschap. De feiten waren als volgt:
 
Werknemer was sinds 1992 in dienst bij een vennootschap (X BV). OP 29 maart 2010 is X BV failliet gegaan ten gevolge waarvan het dienstverband van werknemer door de curator is opgezegd. Op 12 april 2012 is er een doorstart gemaakt en werknemer heeft op 12 oktober 2010 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met de doorgestarte vennootschap gesloten (Y BV). Deze arbeidsovereenkomst is verlengd tot 12 oktober 2011. Y BV heeft werknemer tijdig medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet nogmaals zou worden verlengd. Werknemer stelde zich vervolgens op het standpunt dat er sprake was van opvolgend werkgeverschap, waardoor er op grond van de ketenregeling sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd. Dit omdat zijn werkzaamheden vrijwel gelijk waren gebleven.
 
Werkgever onderschreef dit standpunt niet. Werkgever was van mening de arbeidsovereenkomsten wel degelijk op belangrijke punten van elkaar verschilden. Werknemer was volgens werkgever nu werkzaam in een kantoorfunctie, terwijl werknemer bij X BV een leidinggevende functie vervulde. Werknemer zou nu een ander salaris ontvangen en ook zouden de arbeidsvoorwaarden verschillend zijn.
 
De kantonrechter oordeelde dat de ketenregeling niet alleen ziet op opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, maar ook op de situatie waarin een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd door een faillissement van werkgever wordt beëindigd en vervolgens als onderdeel van de failliete boedel door een derde wordt overgenomen en er daarna sprake is van een of meer arbeidsovereenkomsten van bepaalde tijd. In dit geval oordeelde de kantonrechter echter dat de werkzaamheden die werknemer bij X BV verrichtte wezenlijk verschilden van de werkzaamheden die werknemer uitvoerde bij Y BV. Nu ook de arbeidsvoorwaarden, waaronder het salaris anders waren, oordeelde de kantonrechter dat er geen sprake was van opvolgend werkgeverschap, waardoor er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd.
De Hoge Raad heeft zich in mei 2012 in twee zaken uitgelaten over de vraag wanneer er sprake is van ‘opvolgend werkgeverschap’. Dit is onder andere van belang voor de, naar wij aannemen bekende, ketenregeling. In de keten tellen arbeidsovereenkomsten van bepaalde tijd mee als er sprake is van opvolgend werkgeverschap.
 
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat er sprake is van opvolgend werkgeverschap indien enerzijds de nieuwe overeenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden eist als in de vorige overeenkomst en anderzijds tussen de nieuwe werkgever en de vorige werkgever zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever.
 
In een zaak die eind vorig jaar speelde bij de rechtbank Zutphen, moest de kantonrechter zich uitlaten of er in een bepaalde geval sprake was van opvolgend werkgeverschap. De feiten waren als volgt:
 
Werknemer was sinds 1992 in dienst bij een vennootschap (X BV). OP 29 maart 2010 is X BV failliet gegaan ten gevolge waarvan het dienstverband van werknemer door de curator is opgezegd. Op 12 april 2012 is er een doorstart gemaakt en werknemer heeft op 12 oktober 2010 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met de doorgestarte vennootschap gesloten (Y BV). Deze arbeidsovereenkomst is verlengd tot 12 oktober 2011. Y BV heeft werknemer tijdig medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet nogmaals zou worden verlengd. Werknemer stelde zich vervolgens op het standpunt dat er sprake was van opvolgend werkgeverschap, waardoor er op grond van de ketenregeling sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd. Dit omdat zijn werkzaamheden vrijwel gelijk waren gebleven.
 
Werkgever onderschreef dit standpunt niet. Werkgever was van mening de arbeidsovereenkomsten wel degelijk op belangrijke punten van elkaar verschilden. Werknemer was volgens werkgever nu werkzaam in een kantoorfunctie, terwijl werknemer bij X BV een leidinggevende functie vervulde. Werknemer zou nu een ander salaris ontvangen en ook zouden de arbeidsvoorwaarden verschillend zijn.
 
De kantonrechter oordeelde dat de ketenregeling niet alleen ziet op opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, maar ook op de situatie waarin een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd door een faillissement van werkgever wordt beëindigd en vervolgens als onderdeel van de failliete boedel door een derde wordt overgenomen en er daarna sprake is van een of meer arbeidsovereenkomsten van bepaalde tijd. In dit geval oordeelde de kantonrechter echter dat de werkzaamheden die werknemer bij X BV verrichtte wezenlijk verschilden van de werkzaamheden die werknemer uitvoerde bij Y BV. Nu ook de arbeidsvoorwaarden, waaronder het salaris anders waren, oordeelde de kantonrechter dat er geen sprake was van opvolgend werkgeverschap, waardoor er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd.