Wat is een vakantiedag waard?

Datum 20-12-2012
Bericht geschreven door:
Het komt regelmatig voor dat er bij het einde van een dienstverband van een werknemer sprake is van opgebouwde, maar niet opgenomen vakantiedagen. De werkgever dient dit positieve vakantiedagensaldo in de meeste gevallen aan de werknemer uit te betalen. Immers, art. 7:641 BW bepaalt namelijk dat een werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak op vakantie heeft, recht heeft op een uitkering in geld tot een bedrag van het loon over een tijdvak overeenkomend met de aanspraak.  Met andere woorden: een vakantiedag is gelijk aan een dag loon. Voor veel werkgevers is het echter niet duidelijk was precies het bedrag is dat voor een vakantiedag dient te worden betaald. Al eerder is in onze nieuwsbrief aandacht besteed aan de vraag: Wat dient er verstaan te worden onder het ‘loon’?
 
In een zaak die speelde bij de Rechtbank Amsterdam[1] had een werknemer in een leidinggevende functie bij zijn uitdiensttreding recht op uitbetaling van 628,67 niet opgenomen vakantie-uren. De werkgever had een vergoeding uitbetaald wat neerkwam op het vaste salaris, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. De werknemer was echter van mening dat ook de aan hem uitgekeerde bonussen en het werkgeversdeel van de pensioenpremie meegerekend hadden moeten worden.
 
Volgens rechtspraak van het EU Hof van Justitie dient de werknemer tijdens zijn vakantie zijn ‘normale loon’ te ontvangen. In een eerder in de nieuwsbrief besproken uitspraak van het EU Hof van Justitie gaat het daarbij om alle componenten die intrinsiek samenhangen met de taken die de werknemer in zijn arbeidsovereenkomst zijn opgedragen waarvoor hij een financiële vergoeding ontvangt.
 
Ten aanzien van de bonussen oordeelde de kantonrechter dat de hoogte van de door werkgever uitgekeerde bonussen afhankelijk was van zowel de eigen inspanningen van werknemer als van zijn teamprestatie. De teamprestatie werd echter beïnvloed door de inspanningen van werknemer als leidinggevende. De kantonrechter vond dat voldoende vaststond dat de bonus een vergoeding vormde voor de uitvoering van de aan werknemer opgevoerde taken. Bovendien werd de bonus systematisch verstrekt. Volgens de kantonrechter was daarmee voldaan aan het criterium dat er een intrinsiek verband aanwezig dient te zijn tussen de beloning en de opgedragen werkzaamheden. Om deze reden diende de bonus te worden meegenomen bij de vaststelling van de hoogte van het vakantieloon.
 
Ook het werkgeversdeel van de pensioenpremie moest volgens de kantonrechter worden meegenomen. Dit omdat de werknemer bij uitbetaling van vakantiedagen niet in een nadeliger positie mag komen te verkeren dan bij opneming van vakantiedagen. Vast stond dat, in het geval werknemer gedurende de betreffende vakantiedagen in dienst zou zijn gebleven, werkgever over die dagen de werkgeversbijdrage pensioenpremie had betaald. Dit betekent dat de waarde van deze werkgeverspremie ook onderdeel vormt van de waarde van de niet-opgenomen vakantiedagen.
 
Nu er in soortgelijke gevallen sprake kan zijn van een behoorlijk nabetaling, is het voor werkgevers aan te raden om vooraf goed te bepalen welke componenten meegeteld dienen te worden bij de vaststelling van het vakantieloon.


[1] Rechtbank Amsterdam, 29 juni 2012, LJN BX1486